Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 11 tot 14

Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 11 tot 14
Авторы книги: id книги: 738142     Оценка: 0.0     Голосов: 0     Отзывы, комментарии: 0 0 руб.     (0$) Читать книгу Скачать бесплатно Купить бумажную книгу Электронная книга Жанр: Природа и животные Правообладатель и/или издательство: Public Domain Дата добавления в каталог КнигаЛит: Скачать фрагмент в формате   fb2   fb2.zip Возрастное ограничение: 0+ Оглавление Отрывок из книги

Реклама. ООО «ЛитРес», ИНН: 7719571260.

Оглавление

Brehm Alfred Edmund. Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 11 tot 14

Elfde Orde. De Hoenderkoeten (Palamedeornithes)

Twaalfde Orde. De Nandoes (Rheornithes)

Dertiende Orde. De Kasuarisvogels (Hippalectryornithes)

Veertiende Orde. De Struisen (Struthiornithes)

Tweede Onderklasse. De Hagedisvogels (Saururae)

Отрывок из книги

De Nandoes worden in andere stelsels met de leden der beide volgende orden (de Kasuarissen, de Emoes en de Struisen) en met de reeds vroeger behandelde Snipstruisen onder den naam van „Gladborstigen” of „Loopvogels” (Ratitae) samengevat en aan de overige Vogels – de „Kamborstigen” (Carinatae) – tegenovergesteld. Reeds vroeger werd er op gewezen, dat een der voornaamste kenmerken, waarop deze onderscheiding berust (het gemis of de rudimentaire ontwikkeling van den kam op het borstbeen), ook voorkomt bij enkele Vogels, die men echter op grond van hun in ’t oog loopenden verwantschap met de leden van vogelorden, waarin het bezit van een goed ontwikkelden borstbeenkam regel is, nooit tot de Gladborstigen, maar steeds tot de Kamborstigen heeft gerekend. De ongeschiktheid tot vliegen, die met de genoemde eigenaardigheid gepaard gaat, vindt men ook bij enkele reeds vroeger behandelde Vogels met goed ontwikkelden borstbeenkam, o. a. bij de Vinduikers en den Reuzenalk. Hoewel men over de beteekenis van deze feiten voor de rangschikking tegenwoordig andere denkbeelden is toegedaan dan vroeger en erkennen moet, dat onder den naam van „Gladborstigen” verscheidene groepen werden samengevoegd, die betrekkelijk weinig verwantschap vertoonen, is toch het vermogen om te vliegen zulk een karakteristieke eigenschap van de Vogels, dat zij, die dit talent missen, ons als vreemdsoortige schepsels moeten voorkomen1. De onbeschaafde mensch ziet in zulke Vogels wonderdieren, zijn phantasie streeft naar een verklaring van dit wonder. Een oude sjeich van Kordofan verhaalde mij, dat de Reuzenvogel van Afrika geschiktheid tot vliegen verloren heeft, omdat hij in zijn dwaze hoogmoed zich vermat, vliegend de zon te bereiken. Hare stralen verzengden zijne pennen, hij stortte ellendig op de aarde neer, kan ook thans nog niet vliegen en draagt de sporen van zijn val nog op de borst. Ouder, maar minder dichterlijk is de meening, dat het bedoelde dier een bastaard zou zijn van een Kameel en een fictieven woestijnvogel. De weerklank van deze meening vindt men in overoude verhalen; de wetenschappelijke soortnaam van den Struis is er op gegrond. Sommige dierkundigen zijn langs een geheel anderen weg tot een soortgelijke uitkomst geraakt, n.l. dat de „Gladborstigen” in het systeem onmiddellijk op de Zoogdieren moeten volgen en aan de spits van de Vogelklasse moeten staan. De feiten, waarop deze stelling steunt, worden thans op een geheel andere wijze geduid. De overtuiging heeft zich gevestigd, dat de „Gladborstigen” zich niet minder ver, maar verder dan de „Kamborstigen” van den gemeenschappelijken stam verwijderd hebben: bij hen zijn de vliegorganen, die hunne voorouders bezaten, allengs verloren gegaan of althans onbruikbaar geworden. Onder de hedendaagsche „Gladborstigen” vindt men de grootste thans levende leden der Vogelklasse. Met een romp van kolossalen omvang is door een hals, die bij nagenoeg alle een aanzienlijke lengte heeft, een hoogstens middelmatig groote kop verbonden. De pooten zijn buitengewoon sterk ontwikkeld, de schenkels zeer forsch en krachtig gespierd, de voeten lang, maar dik. Hierdoor zijn al deze Vogels uitmuntend geschikt tot loopen; eenige kunnen, naar gezegd wordt, tamelijk goed zwemmen; tot andere wijzen van beweging zijn zij ongeschikt. Voor ’t vliegen kunnen hunne rudimentaire vleugels niet dienen; de hieraan voorkomende veeren verdienen den naam van pennen niet. De stuurpennen ontbreken, zoowel als de vertikale beenplaat, die bij andere Vogels het einde van de wervelkolom uitmaakt; de staart of wat men er voor zou kunnen houden, komt overeen met den staartwortel der andere Vogels. Alle veeren zijn losbaardig: hare baarden vormen geen samenhangende vlag; de huid is, als bij de Vinduikers en de Hoenderkoeten, gelijkmatig met veeren bekleed; deze zijn haarvormig en gelijken op bundels van vezels.

De leden van de drie laatste Vogel-orden stemmen ook nog met elkander overeen door het gemis van den binnenteen; alle teenen zijn dus naar voren gericht. Hun voedsel bestaat uit plantaardige stoffen en kleine dieren. Voor het uitbroeden der eieren en de opvoeding der jongen zorgen de mannetjes, die voor deze werkzaamheden de hulp van de wijfjes meestal niet verlangen en zelfs afwijzen. De jongen kunnen onmiddellijk, nadat zij uit den dop zijn gekomen, het nest verlaten en de diertjes zoeken, die aanvankelijk hun eenige voedsel uitmaken.

.....

Het verbreidingsgebied van den Nandoe strekt zich uit over de steppenlanden van Zuid-Amerika. Zijn eigenlijk vaderland zijn de Staten van de Argentijnsche republiek en meer bepaaldelijk de Pampas, de vlakten tusschen den Atlantischen Oceaan en de Cordillera. Hij is een echte steppenvogel, die zoowel het echte bergland als het eigenlijke oerwoud vermijdt, hoewel hij in heuvelachtige gewesten even veelvuldig gevonden wordt als in de vlakte; ook bezoekt hij zeer gaarne de niet zeer dichte algarobe-wouden en de myrten- en palmboschjes, die bij wijze van eilanden in den grasoceaan liggen. In de pampa of steppe zijn weinig streken, waar hij geheel ontbreekt.

Een haan vormt met 5 à 7, zelden met meer of minder hennen, een afzonderlijke familie, en bewoont met deze een door hem gekozen gebied, dat hij tegen andere Vogels van zijn soort verdedigt. Na den broedtijd voegen verscheidene van deze familiën zich bijeen; soms ziet men kudden van 50 à 60 stuks. Zoo hecht als de familieband is, zoo los is de samenhang van deze grootere gezelschappen. Door toevallige omstandigheden geraken zij verstrooid, waarna hunne deelen zich vereenigen met den eersten den besten troep, dien zij ontmoeten. In den regel verwijderen de Nandoes zich, zonder er toe gedwongen te zijn, niet verder dan misschien 3 of 4 KM. van hun geboorteplaats.

.....

Добавление нового отзыва

Комментарий Поле, отмеченное звёздочкой  — обязательно к заполнению

Отзывы и комментарии читателей

Нет рецензий. Будьте первым, кто напишет рецензию на книгу Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 11 tot 14
Подняться наверх