Читать книгу Frits Millioen en zijne vrienden - A. L. G. Bosboom-Toussaint - Страница 10

VI.

Оглавление

Inhoudsopgave

De begroeting tusschen de collega’s was niet zoo joviaal en hartelijk als zij dat van elkaar gewoon waren. Roestink was niet in de stemming om ditmaal met zijn »ambtsbroeder” de banaliteiten te wisselen, die gemeenlijk het fonds van hunne conversatie uitmaakten, daar de goelijke man te laag stond in zijne schatting, om over belangrijke onderwerpen ernstige discussies met hem aan te vangen, en hij hem tevens te veel hart toedroeg, om hem door tegenspraak te verbitteren of te krenken; hij ware hem dus heden liefst ontgaan, en dat gaf aan zijne houding iets gedwongens, terwijl Willems nog onder den slag van zijn onverklaarbaar verlies kennelijk worstelde met de zucht, om vriendelijk en voorkomend te zijn te midden zijner gedruktheid.

»Wel, collega! daar doet gij goed aan; blijf je een pijp rooken: twaalf blaadjes, hè?”

»Dank-je, vriend! ik....”

»’t Is waar ook, gij rookt niet; nu dan, vrouwlief, maak den theeboel aan kant, Roestink zal wel een glas wijn met mij willen drinken.”

»Verschoon me ditmaal, ik heb mijn bezoek reeds te lang gemaakt,” hernam Roestink wat strak, en onwillekeurig naar juffrouw Willems heenziende, die nog haar breiwerk niet had opgevat, dat zij van verbazing in haar schoot had laten vallen.

»Ja! ja! als men met mijn vrouwtje aan de praat raakt, is een uurtje om eer men ’t weet,” hernam Willems met eene poging tot scherts, die zeer weinig bijval vond.

Sanne kneep de lippen samen, en snoot nog eens de kaarsen, par manière de contenance. Roestink scheen met strakke aandacht de drie kanten van zijn hoed te bezichtigen.

»Gijlieden hebt toch niets samen gehad?” vroeg Willems, getroffen over dat zwijgen en hen beurtelings aanziende.

»Ik weet althans geene oorzaak gegeven te hebben,” viel juffrouw Willems uit; »dominé Roestink had het over de recensies, en.... en....”

»Ik kwam informeeren naar Pieter Snibs,” viel Roestink in, ras het woord nemende; »ik wilde weten waarom gij hem wegzond vóór ik hem nam.”

»En toen heb ik als vanzelf spreekt, het geval met de teekening verteld, en toen, hoe het bijgekomen is weet ik niet recht, maar het eene woord haalde het andere uit, toen kwam dominé Roestink op....”

»Ja! och ja! dát’s een onaangenaam geval van die teekening,” viel Willems in, tot Roestink gewend, om den vloed van zijn vrouws woorden te breken, waarvan hij niets goeds duchtte, en tegelijk verheugd dat hij zijne innerlijke kwelling lucht kon geven, »en het verdrietigste van alles is nog, dat ik er niet achter kan komen, wàt er eigenlijk gebeurd is, en wie het gedaan heeft; den ganschen namiddag heb ik rondgeloopen bij de ouders der leerlingen, die in ’t laatste leeruur hier waren. Welnu, ’t is alles vergeefs; ze vinden het allen heel erg, het spijt hen, dat er zoo iets is voorgevallen; maar niemand schijnt iets van de zaak te weten, ze helpen mij ten minste meer van den weg af dan er op: de welwillendsten vragen mij waarmee ze mij pleizier kunnen doen, om het verlorene te vergoeden. Weet-je Sanne? dat vroeg de tante van Dientje Verburg; mijnheer zelf was niet thuis.”

»En wat zei vrouw Snibs?” vroeg Roestink levendig, en zijne groote zwarte oogen uitvorschend op hem richtende.

»Vrouw Snibs!” herhaalde de goede Willems, verrast en getroffen of hij zelf van een misdrijf overtuigd werd; »om u de waarheid te zeggen, bij vrouw Snibs ben ik niet geweest, ik had daartoe eigenlijk zoo geene aanleiding, en.... en....” Hij zweeg, tot over de ooren kleurend, want hij voelde wel dat hij struikelen ging over zijne eigene woorden.

»Nu, goed papa Willems! dan zal ik dat wel voor u waarnemen,” hernam Roestink, met moeite een glimlach bedwingende over de flauwheid en menschenvrees van den man, die een beroep had aanvaard, waarbij zedelijke moed een der eerste vereischten was. »Ik zal vrouw Snibs en haar zoon in scherp verhoor nemen, en de zaak tot helderheid brengen, dat beloof ik u.”

»Wil-je dat voor mij doen?” riep Willems, als verruimd en zijne hand drukkende.

»Wel zeker, wil ik. En nu nog ééne vraag,” hervatte Roestink, »hecht gij aan uwe Woensdag-avondbeurt voor deze week?”

»Hechten.... hm.... hechten, ik ben er natuurlijk op gesteld de plichten van mijn ambt niet te verzuimen, maar om de waarheid te zeggen, ik heb mij nog niet tot eigenlijke studie daartoe kunnen zetten, en nu die onaangename historie mij door het hoofd maalt....”

»Voelt gij u ongeschikt om met hart en ziel bij ’t werk te zijn, dat begrijp ik; zoo biede ik mij aan om de beurt voor u over te nemen; ik heb juist wat op ’t gemoed, dat ik der gemeente wensch voor te houden.”

»Nu, als gij om zoo te spreken uw schets al klaar hebt, dan doet ge er mij een grooten dienst mee, ik wil het niet ontkennen.”

»Daarbij blijft het dan. En zie, daar valt me iets in; ik schijn van avond wel niet te kunnen scheiden, nu moet ik u nog eene inlichting vragen, die mij haast vergeten was; het betreft mede een uwer catechisanten, zekeren Frits Rosemeijer.”

»Frits Millioen bijgenaamd, wat hebt gij daarmee uitstaande?”

»Is die hier ook al niet meer tevreden!” verzuchtte juffrouw Willems halfluid en met ergernis.

Roestink zag haar even glimlachend aan. »Wees gerust, juffrouw! ik persoonlijk heb niets met hem te maken, maar mijn zwager is hier, zooals gijlieden mogelijk gehoord zult hebben, tot rijks-ontvanger aangesteld en verlangt een jong klerkje, dat hem eenige handreiking kan doen; genoemde Frederik Rosemeijer heeft zich aangemeld, zijne bekwaamheden schijnen voldoende, maar bij een post als dien van mijn zwager zijn eerlijkheid en accuratesse onmisbare voorwaarden, de jonkman dien wij niet kennen, heeft zich op u beroepen als die voor zijne moraliteit zou willen getuigen; wat zegt gij van hem, is hij betrouwbaar, kan mijn zwager hem nemen?”

»Wel zeker! wel zeker! laat hij dat doen, ’t is een beste jongen waar hij pleizier van zal hebben, wat jolig, wat levendig, ook nog wel wat jong naar ’t mij voorkomt, maar toch....”

»Hij is de zestien gepasseerd, en al is ’t jammer voor hem zelf, de levendigheid en de jool gaan er wel af als zoo’n arme jongen uren lang voor een lessenaar moet zitten tusschen de vier muren van een kantoor. Maar waarom geeft iedereen hem toch dien bijnaam op zulke wijze, dat ik hier en daar onder zijn waren naam van hem sprekende, niet werd verstaan.”

»Ja, mijn waarde! dat’s een lange en droeve geschiedenis, die al van zijn vader dagteekent. Als ik je die vertellen zal, moet gij mij het avondje schenken.”

»Dan is het beter dat ik mijne nieuwsgierigheid bedwing en op een anderen keer eens bij u kom aankloppen. Ik moet nu naar vrouw Snibs, en gij begrijpt mij: als ik preeken zal, heb ik mij toch ook voor te bereiden!”

Willems had geen voegzaam argument om hem tegen te houden en zijne wederhelft slaakte een zucht van verlichting, toen de fâcheux troisième was heengegaan. Die man verwekte bij haar in gelijke mate ontzag en ergernis.

»Dat trof nu al wonderlijk dat ik heden juist getuigenis moest geven van Frits,” sprak Willems zijne gade wat aarzelend en onrustig aanziende, toen zij alleen waren.

»Hoe zoo! dat kondt gij toch in gemoede doen. Frits is immers een beste, eerlijke jongen?”

»Daarvoor heb ik hem tot heden toe ten minste gehouden, maar toch zonderling inderdaad.”

»Welnu! wat is zonderling? Gij maakt mij nieuwsgierig met al die twijfelachtige uitdrukkingen.”

»In één woord, ik heb nu suspicie gekregen dat Frits....”

»De teekening zou gestolen hebben? Dát geloof ik nooit.”

»Hola vrouwtje, zoo ras moet je niet doorhollen, maar ik kan ’t niet helpen, de manier waarop Dientje’s tante sprak, heeft mij op het denkbeeld gebracht, dat Frits althans medeplichtig is aan ’t gebeurde.”

»En waarom dan aan Roestink niet ronduit de waarheid gezegd?”

»De waarheid? Het kon er wel gansch bezijden zijn; het is niets dan een vermoeden.”

»En als de heer van Hogenstein hem nu op het kantoor neemt op uwe getuigenis, en als het daar bleek dat hij niet eerlijk was?”

»O! als hij meegedaan heeft zal het nu wel uitkomen, daar Roestink zich met de zaak bemoeit, en dan springt het plan met het kantoor vanzelf af, en als hij onschuldig is, dan zou ik niet graag door eene voorbarige beschuldiging oorzaak wezen dat men twijfelachtig over hem dacht en dat hij voor ’t hoofd werd gestooten.”

Juffrouw Willems was het niet geheel met hem eens, maar daar zij haast had haar hart over Roestink lucht te geven, bestreed zij dit punt niet verder.

Frits Millioen en zijne vrienden

Подняться наверх