Читать книгу Het Leven der Dieren: De Roofdieren - Alfred Edmund Brehm - Страница 4

Оглавление

Evenmin als de Leeuw heeft de Tijger met andere soorten van zijn geslacht een nauwe verwantschap; zijne naaste verwanten—waarvan een, de Holentijger, Middel-Europa bewoonde—zijn uitgestorven. Een Zuid-Aziatische met uit vlekken bestaande strepen geteekende Kat—de Nevelpanter (Felis nebulosa), de Harimau dahan (“Boomtijger”) der Maleiers—komt door zijn langgerekten romp met krachtige, kleine pooten, den kleinen zeer stompen kop met de afgeronde ooren en de lange, zachte vacht, welker teekening nog meer of min aan die van den Koningstijger herinnert, dezen het meest nabij. Hij is echter niet alleen veel kleiner dan de Tijger, maar verschilt er ook van door de in ’t oog loopend korte pooten en den staart, die even lang is als ’t lichaam. De grondkleur van zijn vacht, die witachtig grijs, aschgrauw of bruinachtig grauw, soms ook geelachtig of roodachtig getint is, zweemt aan de onderdeelen naar runkleur. De kop, de pooten en het onderlijf zijn met volle, zwarte, rondachtige of gekromde vlekken en strepen geteekend. Over beide zijden van den hals strekken zich drie onregelmatige, overlangsche strepen uit, over den rug loopen twee soortgelijke naar achteren; smallere strepen bevinden zich aan de zijden van den kop. Op den schouder, de zijden van den romp en de heupen liggen onregelmatige, zwarte vlekken met hoekigen zoom, zoo ook op den staart. De randen van den mond vertoonen een zwarten zoom; de ooren zijn van buiten zwart met grijze vlekken. De lichaamslengte bedraagt ongeveer 1 M., die van den staart 74 à 92 cM. Het verbreidingsgebied van dit dier is vrij uitgestrekt; het omvat het geheele Zuid-oostelijke Azië met de Groote Soenda-eilanden.


Nevelpanter (Felis nebulosa). 1/10 v. d. ware grootte.

Tot voor weinige jaren was de Nevelpanter even zeldzaam in de verzamelingen als in de dierentuinen; eerst sedert kort ziet men hem in de grootste inrichtingen van dien aard, steeds evenwel slechts enkele exemplaren. De inboorlingen van Sumatra verzekeren, dat hij in ’t geheel niet wild is, en zich uitsluitend met kleine Zoogdieren en Vogels voedt. Onder de Vogels die hem ten buit vallen, moeten ook de Huishoenderen genoemd worden, waardoor hij soms groote schade aanricht. Een zeer fraaie en gezonde Nevelpanter bevond zich in de Londensche diergaarde—een prachtig, tam, lief dier, waarmede de oppasser omging, alsof het een goedaardige Huiskat was. Ik ken, behalve den Gepard, geen Kat, die wat inborst betreft, op hem gelijkt.

Dat de Wilde Kat of Boschkat (Felis catus) de stammoeder van onze Huiskat zou zijn, wordt door vele onderzoekers onwaarschijnlijk geacht, wegens het groote verschil, dat er tusschen deze dieren bestaat. Door andere onderzoekers werd en wordt dit verschil beschouwd als een gevolg van de domesticatie, d. i. als een gevolg van de veranderde omstandigheden, waarin het dier geleefd heeft in de duizenden van jaren, die er verloopen zijn, sedert het een huisdier is geworden. Al dadelijk vallen bij vergelijking van de beide dieren de veel forschere lichaamsbouw en de wildere blik van de Boschkat in het oog: de kop is dikker, de romp meer ineengedrongen, het haarkleed langer en dichter, de bovenlip met meer tastborstels voorzien, het gebit scherper en krachtiger, de staart korter, dikker en ruiger. De staart van de Wilde Kat is gelijkmatig van dikte over zijn geheele lengte, van den wortel tot de spits, en hier als ’t ware afgehakt of afgeknot; bij de Huiskat echter wordt hij van ’t midden tot de spits allengs dunner. Bij de Huiskat is hij vóór de zwarte spits met 7 of 8 donkere dwarsstrepen geteekend, die aan de bovenzijde min of meer ineenvloeien tot een overlangsche, donkere streep, van onderen alleen aan de achterste helft duidelijk doorloopen, aan de voorste daarentegen steeds nader bij elkander komen en onduidelijker worden, naarmate zij dichter bij den staartwortel gelegen zijn. Bij de Boschkat gaan aan de zwarte spits drie breede, volslagen ringen vooraf, en is de voorste staarthelft geteekend met vier smallere en minder duidelijke ringen, die zich niet over de onderzijde uitstrekken. Bij de Huiskat is het spijskanaal 5 maal, bij de Boschkat slechts 3 maal zoo lang als het lichaam.

Andere kenmerken van de Wilde Kat zijn: de geelachtig witte vlek aan de keel en de zwarte, of althans donkere, kleur van de onbehaarde ballen aan de zool (aan den wortel van ieder klauwlid één, en achter deze een groote, van voren tweelobbige, van achteren drielobbige bal, waarop de worteleinden der eerste leden van vier teenen rusten). Ook de onbehaarde of weinig behaarde deelen van het aangezicht (van oogleden, neus en lippen) zijn voor ’t meerendeel zwart; de binnenzijde van het oor is echter rood- of geelachtig wit.

De Wilde Kat wordt soms wel 8 of 9 KG. zwaar. Haar lengte bedraagt, bij 35 à 42 cM. schouderhoogte, in den regel 100 à 120 cM., waarbij 30 à 35 cM. voor den staart. Enkele Katers worden nog grooter, en zijn ongeveer zoo groot als een Vos, dus ⅓ grooter dan de Huiskat.

De vacht is bij het mannetje aan de bovenzijde vaalgrijs, soms zwartachtig, bij ’t wijfje heeft zij een meer geelachtige tint; het aangezicht is roodachtig geel, het oor aan de rugzijde roestkleurig grijs. Vier evenwijdige, zwarte strepen, die aan het voorhoofd beginnen, loopen tusschen de ooren door over de kruin; de beide middelste zetten zich naar achteren voort, totdat zij in de schouderstreek elkander boogvormig naderen; daartusschen begint de zwarte streep, die zich over het midden van den rug en de bovenzijde van den staart uitstrekt. Van deze streep gaan naar de beide zijden vele aan den rand wegsmeltende dwarsstrepen uit, die een weinig donkerder zijn dan de overige en naar den buik afdalen. De buikzijde is geelachtig, met eenige zwarte vlekken gestippeld; de pooten zijn met een gering aantal zwarte dwarsstrepen geteekend, hun kleur wordt in de nabijheid van de teenen geler; de binnenzijde van de achterpooten is geelachtig en ongevlekt. Het regenboogvlies (van het oog) is geel; over dag is de pupil spleetvormig.


Wilde Kat (Felis catus). ⅕ v. d. ware grootte.

De Wilde Kat bewoont ook thans nog geheel Europa met uitzondering van het hooge noorden van Skandinavië en Rusland. In Duitschland is zij een vaste, hoewel steeds in gering aantal voorkomende bewoner van alle boschrijke middelgebergten; van hier uit onderneemt zij, van het eene bosch naar het andere trekkend, strooptochten tot diep in de vlakten en kan daarom in uitgestrekte bosschen ten naastenbij overal voorkomen. Veelvuldiger dan in Duitschland vindt men haar in het zuidoosten van Europa. In de met bosschen begroeide Voor-Alpen treft men haar overal aan, en wel in grooter aantal dan in de Hoog-Alpen. In Spanje is zij nog overvloedig, in Frankrijk, in sommige districten althans, niet zeldzamer dan in Duitschland; men heeft haar niet eens in Groot-Britannië geheel kunnen uitroeien. Voor zoover men tot dusver met zekerheid heeft kunnen nagaan, strekt haar verbreidingsgebied zich niet ver over de grenzen van Europa uit. Ten Zuiden van den Kaukasus heeft men haar alleen in Georgië (Grusia) waargenomen; haar aanwezigheid in andere Aziatische landen is niet gebleken. Zij houdt zich op in dichte, uitgestrekte wouden, vooral in donkere naaldhoutbosschen; hoe eenzamer haar gebied is, des te duurzamer is haar verblijf aldaar. Aan rotsachtige woudstreken geeft zij de voorkeur boven alle andere, omdat de rotsen haar de veiligste schuilplaatsen verschaffen. Bovendien bewoont zij holen van Dassen en Vossen of groote holen in dikke boomen.

Alleen gedurende den voortplantingstijd en zoolang de jongen nog niet zelfstandig zijn, leeft de Wilde Kat gezellig, anders altijd alleen. Ook de jongen verlaten spoedig de moeder om voor hun eigen levensonderhoud te jagen.

Als de schemering begint, vangt de Wilde Kat haar arbeid aan. Met uitmuntende zintuigen uitgerust, voorzichtig en listig, onhoorbaar naderbij sluipend en geduldig loerend, wordt zij voor kleine en middelmatig groote dieren zeer gevaarlijk. Met de list, die aan alle Katten eigen is, besluipt zij den Vogel in zijn nest, den Haas in zijn leger en het Konijn vóór zijn hol, misschien ook het Eekhoorntje op den boom. Groote dieren springt zij op den rug en bijt hen de halsslagaders door. Als zij haar sprong gemist heeft, vervolgt zij het dier niet verder, maar zoekt zich liever een nieuwen buit op: ook in dit opzicht is zij een echte Kat. Tot geluk voor de jachtliefhebbers bestaat haar gewone voedsel uit allerlei soorten van Muizen en kleine Vogels. Waarschijnlijk valt zij slechts bij toeval grootere dieren aan: een feit schijnt het echter te zijn, dat zij jonge Reeën en Edelherten overvalt; voor zulk een prooi is zij trouwens sterk genoeg. Aan de oevers van meren en beken loert zij ook op Visschen en watervogels, en weet ze met groote behendigheid te overmeesteren. Zeer schadelijk wordt zij in wildparken, het schadelijkst nog in fazantentuinen.

In verhouding tot haar grootte is de Wilde Kat over ’t algemeen een gevaarlijk Roofdier, vooral omdat zij, naar men zegt, even bloeddorstig is als de meeste leden van haar geslacht. Om deze reden wordt zij dan ook door de jagers fel gehaat en zonder genade vervolgd; want geen jachtliefhebber acht het nut, dat zij door het verdelgen van Muizen aanbrengt, van eenige beteekenis. Hoeveel van deze schadelijke dieren zij vernielt, kan blijken uit een bericht van Tschudi, inhoudend, dat hij in de maag van een Wilde Kat de overblijfselen van 26 Muizen gevonden heeft. De drek van zulk een dier, die door Zelebor onderzocht werd, bestond grootendeels uit overblijfselen van beenderen en haren van Marter, Bunzing, Hermelijn en Wezel, Hamster, Kat, Water-, Veld- en Bosch-muizen, Spitsmuizen en bevatte ook nog sporen van lichaamsdeelen van Eekhoorntjes en boschvogels. Kleine Zoogdieren vormen dus het voornaamste deel van den buit van ons Roofdier, en, daar onder deze de Muizen veelvuldiger zijn dan alle overige, is het nog zeer de vraag, of de schade, door de Wilde Kat veroorzaakt, werkelijk grooter is dan het nut, dat zij aanbrengt. Naar ik meen, mag men de uitkomsten van alle onderzoekingen hierover op de volgende wijze samenvatten: de Wilde Kat is somtijds schadelijk, maar in den regel nuttig; zij doodt meer schadelijke dieren dan nuttige; haar werkzaamheid bevoordeelt niet onze jacht, maar wel onze bosschen.

De jacht op Wilde Katten heeft overal met een als ’t ware hartstochtelijken ijver plaats. In Duitschland worden zij gewoonlijk op drijfjachten gedood. “De grootste moeite kost het,” zegt Zelebor, “een Wilde Kat levend uit een hollen boom te halen. Twee, drie van de sterkste mannen hebben, hoewel hunne handen door dikke handschoenen beschut en bovendien nog met lappen omwikkeld zijn, al hunne krachten noodig, om de Kat er uit te trekken en in een zak te steken.” Ik moet bekennen, dat deze wijze van vangst mij niet zeer geloofwaardig voorkomt, daar alle andere berichten hierin overeenkomen, dat met een volwassen Wilde Kat niet te gekken valt. Winckell geeft den jager den raad, voorzichtig met haar te werk te gaan, en een tweede schot niet te sparen, indien het eerste niet onmiddellijk den dood veroorzaakt heeft, haar alleen dan te naderen, als zij niet meer weg kan komen, en haar ook dan nog door eenige flinke tikken op den neus de gelegenheid om zich te verweren te benemen, voordat men zich verder met haar bemoeit. Gewonde Wilde Katten kunnen, wanneer zij in ’t nauw gebracht zijn, recht gevaarlijk worden. “Neem u wel in acht, schutter,” schrijft Tschudi, “en tracht het beest goed te raken! Als de Kat eenvoudig aangeschoten is, vliegt zij snuivend en naar wraak dorstend op, nadert den jager blazend met omhoog gekromden rug en opgerichten staart, maakt zich woedend tot den aanval gereed en springt op den mensch af; hare spitse klauwen slaat zij stevig in zijn vleesch, liefst in zijn borst, zoodat hij haar bijna niet losrukken kan, en zulke wonden genezen niet spoedig. Voor de Honden heeft zij zoo weinig vrees, dat zij, voordat zij den jager opmerkt, dikwijls vrijwillig van den boom afkomt; er heeft dan een verwoed gevecht plaats. De woedende Kat slaat met hare klauwen dikwijls scheuren in de huid, heeft het vooral op de oogen van den Hond gemunt, en verdedigt zich met de hardnekkigste woede, zoolang er nog een vonkje van haar taai leven over is.”

Van de eigenlijke Wilde Katten moeten de eenvoudig verwilderde Huiskatten wel onderscheiden worden. Deze treft men niet zelden in de bosschen van ons vaderland aan; zij bereiken echter nimmer de grootte van de eigenlijke Wilde Kat, ofschoon zij veel grooter zijn dan de gewone Huiskat. Wat wildheid en schadelijkheid, betreft, staan zij niet ver achter bij de Wilde Kat; naar het schijnt, beginnen zij, ingeval hare voorouders gedurende vele opeenvolgende geslachten in ’t wild geboren en opgegroeid zijn, hoe langer hoe meer in kleur en teekening op haar Afrikaanschen stamvorm, de Nubische Kat, en daardoor ook op onze Wilde Kat, te gelijken, onverschillig hoe het uitzicht der verwilderde voorouders was. Alleen ontbreken haar de als ’t ware afgehakte staart, de lichte vlek aan de keel en de donkere kleur der zolen. Daar waar deze kenmerken wel eenigszins, maar niet volkomen duidelijk voorkomen, heeft men misschien met bastaarden te doen.

De stammoeder van onze Huiskat, de Nubische Kat (Felis maniculata), werd door Rüppell ontdekt in Nubië aan de westzijde van den Nijl, bij Amboekol in een woestijnsteppe, waar rotsachtige oorden afwisselen met boschrijke. Latere verzamelaars hebben haar gevonden in geheel Soedan, in Abessinië, in het diepste binnenland van Afrika en ook in Palestina. Haar lichaamslengte bedraagt 50 cM., de lengte van den hieronder begrepen staart is een weinig meer dan 25 cM. Dit zijn wel is waar niet geheel de verhoudingen, die bij onze Huiskat voorkomen, maar toch komen zij die van “Poes” tamelijk nabij. Ook door de teekening van haar vacht gelijkt de Nubische Kat op vele verscheidenheden van onze Huiskat.

De mummiën van Katten, die men in Egypte vindt, en de afbeeldingen, die op de gedenkteekenen te Thebe en op andere oud-Egyptische bouwvallen voorkomen, stemmen met deze soort het meest overeen. Hieruit schijnt te blijken, dat zij het was, die door de oude Egyptenaars als huisdier werd gehouden. Misschien brachten de priesters het heilige dier uit het zuiden van Nubië naar Egypte; van hier uit kan het naar Arabië en Syrië, later over Griekenland en Italië naar het westen en noorden van Europa overgebracht zijn; in nog lateren tijd heeft het door de reizen der Europeanen zulk een groote verbreiding verkregen.


Huiskat (Felis maniculata domestica). ⅕ v. d. ware grootte.

Buitengewoon belangrijk tot bevestiging van de meening, dat de Nubische Kat de stammoeder van onze Huiskat is, zijn de gegevens, die Schweinfurth in het land der Njam-Njam verzamelde. Volgens zijne mondelinge mededeelingen komt de Nubische Kat hier veelvuldiger voor dan in eenig ander tot dusver bekend deel van Afrika, zoodat dus het verre binnenland van het Donkere Werelddeel als het eigenlijke vaderland of het knooppunt van den verbreidingskring van ons huisdier beschouwd moet worden. De Njam-Njam nu bezitten de Huiskat in den eigenlijken zin van het woord niet; wel gebruiken zij voor hetzelfde doel, als waarvoor deze dient, half of geheel getemde Nubische Katten, die door de knapen gevangen, dicht bij de hut vastgebonden en in korten tijd zoozeer getemd worden, dat zij zich aan de woning gewennen en in de nabijheid van deze ijverig bezig zijn met het vangen van Muizen, die hier buitengewoon talrijk zijn.

*

“De Kat,” zegt Ebers in zijn “Egyptische Konings-dochter”, “was waarschijnlijk het heiligste van de vele heilige dieren, die de Egyptenaars vereerden. Terwijl de andere dieren slechts plaatselijk vergood werden, stond de Kat bij alle onderdanen van de Pharaonen in den reuk van heiligheid. Herodotus verhaalt, dat de Egyptenaars, als hun huis in brand stond, niet eerder aan het blusschen dachten, voordat hun Kat gered was, en dat zij als bewijs van rouw zich de haren afschoren, als hun Kat stierf. Wie een van deze dieren doodde, werd, onverschillig of de doodslag opzettelijk dan wel bij ongeluk gepleegd was, zonder genade ter dood gebracht. Diodorus bericht als ooggetuige dat de Egyptenaars een ongelukkigen Romeinschen burger, die een Kat gedood had, van het leven beroofden, hoewel de gezaghebbenden, om de gevreesde Romeinen te believen, al het mogelijke hadden gedaan, om het volk tot bedaren te brengen. De lijken der Katten werden op kunstige wijze gemummificeerd en bijgezet; onder de vele ingebalsemde dieren zijn er geen, die in grooter aantal gevonden worden, dan de zorgvuldig met linnen windsels omwikkelde, gemummificeerde Katten.”

De tot dusver verrichte onderzoekingen geven recht tot de veronderstelling, dat de Kat het eerst door de oude Egyptenaars, en niet door de oude Indiërs of door de Noordsche volken, getemd werd. De oud-Egyptische gedenkteekenen geven ons van deze temming door afbeeldingen, opschriften en mummiën bepaalde berichten; de geschiedenis van de andere volken levert in dezen niet eens steun voor veronderstellingen op. De zoo even uitgesproken meening wordt mijns inziens ook nog ondersteund door het feit, dat men in de begraafplaatsen niet alleen van de Huiskat mummiën vindt, maar ook van den Moeras-Los; wijl hierdoor het bewijs wordt geleverd, dat men ten tijde van den bloei van het oud-Egyptische rijk zich nog voortdurend met de vangst en, wat wel hetzelfde beduidt, met de temming van wilde Katten bezig hield. Vóór den tijd van Herodotus komt de naam van de Kat bij de oud-Grieksche schrijvers niet voor; hieruit en ook uit het feit, dat deze naam door latere Grieken en Romeinen slechts terloops vermeld wordt, mag men afleiden, dat zij zich van Egypte uit zeer langzaam verbreid heeft. De uit Egypte afkomstige Kat werd waarschijnlijk in de eerste plaats naar oostwaarts gelegen landen overgebracht; zoo weet men o. a., dat zij een bijzondere lieveling van den profeet Mohammed is geweest. In het noorden van Europa was zij vóór de 10e eeuw bijna in ’t geheel nog niet bekend. De verzameling van wetten van Wales bevat een verordening, waarin de waarde, van de Huiskat, alsook de straffen, waardoor het mishandelen, verminken of dooden van dit dier geboet werd, vastgesteld zijn. Deze wet is voor ons onderzoek van groot belang, omdat zij het bewijs levert, dat men destijds de Huiskat als een zeer kostbare bezitting beschouwde. Hieruit vloeit verder voort, dat de Wilde Kat niet als stammoeder van de Huiskat aangemerkt mag worden; want destijds waren er in Engeland zooveel Wilde Katten, dat het niet moeielijk zou zijn geweest, om zooveel jonge dieren van deze soort, als men verkoos, te vangen, ten einde ze te temmen.

Tegenwoordig vindt men de Huiskat in alle bekende landen, die door menschen bewoond worden, met uitzondering van de noordelijkste gedeelten der wereld en, naar Tschudi bericht, van den hoogsten gordel der Andes. Zij heeft zich langzamerhand recht van inwoning verworven de geheele wereld rond, ver in het noorden op, zoowel als ver zuidwaarts; overal is zij een levend bewijs van den vooruitgang van den mensch, van zijn streven naar het verkrijgen van een vaste woonplaats van beginnende beschaving.

Toch heeft zij in alle omstandigheden tot op zekere hoogte haar zelfstandigheid weten te behouden; haar onderworpenheid aan den mensch gaat niet verder dan haar goeddunkt. Hoe meer de mensch zich met haar bemoeit, des te trouwer wordt zij gehecht aan het gezin, hoe meer hij echter de Kat aan zich zelf overlaat, des te grooter wordt haar gehechtheid aan het huis, waarin zij groot gebracht werd. Van den mensch hangt het altijd af, in welke mate een Kat tam en huiselijk wordt. Waar zij aan zich zelf overgelaten is, komt het niet zelden voor, dat zij in den zomer het huis geheel ontvlucht en zich in de bosschen begeeft, waar zij soms geheel verwilderen kan. Bij ’t begin van den winter keert zij in den regel naar haar vroegere woning terug en neemt hierheen ook de jongen mede, die zij gedurende haar verblijf in ’t bosch ter wereld bracht. Het komt echter vooral in warme landen vrij dikwijls voor, dat zij zich bijna in ’t geheel niet meer om den mensch bekommert, zelfs wanneer zij in zijn woning is teruggekeerd. Zoo leiden, naar Rengger mededeelt, de Katten in Paraguay een zeer zelfstandig leven. Toch komen daar nergens werkelijk verwilderde Katten in de bosschen voor; zelfs zijn zij verdwenen uit de vroeger bewoonde gewesten, waar zij bij het vertrek der blanken achtergelaten werden.

Onze Huiskat is uitnemend geschikt, om ons de geheele familie der Katten te doen kennen, juist omdat iedereen haar waarnemen kan. Zij is een buitengewoon net, zindelijk, sierlijk en lieftallig dier; elke beweging, die zij maakt, is aardig en bevallig; haar behendigheid is waarlijk bewonderenswaardig. Zij loopt met afgemeten tred, en gaat zoo zachtjes op hare fluweelen pootjes, welker klauwen zorgvuldig teruggetrokken zijn, dat haar gang voor den mensch volkomen onhoorbaar is. Bij elken stap openbaart zich de haar eigen beweeglijkheid en deze gaat gepaard met de grootste bevalligheid en sierlijkheid. Alleen wanneer zij door een ander dier vervolgd en plotseling verschrikt wordt, bespoedigt zij haar gang tot een loopbeweging, die uit snel opeenvolgende sprongen bestaat, haar vrij schielijk doet voortgaan en bijna altijd uit het geweld van haar vervolger bevrijdt, omdat zij met groote schranderheid van iederen schuilhoek gebruik weet te maken en elke hooggelegen plaats weet te bereiken. Zij klimt gemakkelijk en behendig omhoog langs boomstammen en muren (voor zoover deze oneffen zijn of uit een zachte specie bestaan), door er zich met hare klauwen aan vast te haken. In ’t vrije veld loopt zij niet bijzonder snel; zij wordt daar althans door iederen Hond achterhaald. Haar groote behendigheid openbaart zich vooral bij sprongen, die zij vrijwillig of gedwongen moet doen. Hoe zij ook valt, steeds zal zij op hare pooten te recht komen en betrekkelijk zacht neerkomen op de elastische kussens onder hare teenen. Het is mij nooit gelukt, een Kat die ik met den rug naar onderen gekeerd op korten afstand van een tafel of van een stoel losliet, zoo te doen vallen, dat zij met den rug het voorwerp bereikte. Zij keert zich bliksemsnel om, zoodra men haar loslaat, en staat dan geheel ongedeerd en stevig op alle vier pooten. Hoe zij dit doet, terwijl zij zich op zoo korten afstand van het onder haar liggend voorwerp bevindt, is ronduit onverklaarbaar; hoe dit geschiedt, als zij van een aanzienlijke hoogte afvalt, is zeer gemakkelijk te begrijpen, omdat zij dan haren recht omhoog gestrekten staart als roer gebruikt en hierdoor de richting van den val regelt. Zij kan ook zwemmen, maar maakt van deze bekwaamheid alleen dan gebruik, als zij in de onaangename noodzakelijkheid verkeert, zich uit het water te moeten redden. Dat een Kat vrijwillig te water gaat, is waarschijnlijk een zeer zeldzame uitzondering op den regel; met ware angstvalligheid vermijdt zij zelfs den regen. (Haacke kende evenwel een Kat, die in een vijver sprong om Goudvisschen te vangen.)—Zij zit, evenals de Hond, op haar achterdeel, en ondersteunt dan het voorste deel van het lichaam met de beide voorpooten. Om te slapen rolt zij zich ineen en gaat op de eene zijde liggen. Daartoe zoekt zij bij voorkeur een zachte en warme ligplaats uit, kan het echter maar zelden verdragen, dat zij ook nog toegedekt wordt. Het liefst neemt zij als peluw hooi, waarschijnlijk omdat zij van den geur hiervan veel houdt. Van zulk een ligplaats neemt haar vel een zeer aangenamen reuk aan.

Onder de zinnen van de Kat munten het gevoel, het gezicht en het gehoor uit. Zeer gemakkelijk kan men zich overtuigen, dat de reuk het minst ontwikkeld is, door aan een Kat het een of ander geliefkoosd gerecht zoo voor te leggen, dat zij het slechts door den reuk kan vinden. Zij nadert het voorwerp en draait, wanneer zij er dicht bij gekomen is, den kop zoo vele malen heen en weer, dat men dadelijk aan deze bewegingen kan zien, hoe weinig de reukzin haar leidt. Nog naderbij gekomen, gebruikt zij hare snorharen, die uitstekende tastorganen zijn, steeds meer dan den neus. Een Muis, die men in de gesloten hand verborgen houdt, moet haar al zeer dicht onder den neus gehouden worden, vóór zij de prooi bemerkt. Veel fijner is het gevoel. Dit blijkt het duidelijkst aan de snorharen; als men een daarvan, hoe zachtjes ook, aanraakt, zal men zien, dat de Kat dadelijk den kop terugtrekt. Het tastgevoel zetelt bovendien, hoewel in mindere mate, in de zachte kussens onder de teenen. Het gezichtszintuig is uitmuntend. Zij ziet evengoed over dag als des nachts: zij kan haar pupil geschikt maken voor het zien bij licht van verschillende sterkte, d. i. zij kan deze opening bij fel licht zoozeer verkleinen en bij duisternis zoozeer vergrooten, dat het zintuig haar zoowel in ’t eene als in ’t andere geval uitmuntende diensten bewijst. En toch staat onder alle zinnen het gehoor bovenaan; het is buitengewoon scherp. Lenz verhaalt, dat een in de open lucht op zijn schoot zittend Katje plotseling achteruit sprong naar een Muis, die, zonder dat zij door het katje gezien kon worden, van den eenen struik naar den anderen liep over een gladden, steenen vloer, waarop zij natuurlijk in ’t geheel geen voor ons waarneembaar gedruisch veroorzaakte. Hij vond, dat de afstand waarop het Katje de Muis achter zich had gehoord, ruim 14 M. bedroeg.

Gewoonlijk wordt over de inborst van de Kat een geheel verkeerd oordeel geveld. Men beschouwt haar als een trouweloos, valsch, arglistig dier, en meent, dat zij nooit vertrouwen verdient. Vele lieden hebben een onoverwinnelijken afschuw van haar. In den regel vergelijkt men haar met den Hond, waarmede zij in ’t geheel niet vergeleken mag worden; omdat men bij haar niet dadelijk diens eigenschappen vindt, bemoeit men zich niet verder met haar, maar beschouwt haar reeds van te voren als een wezen, waarmede niets aan te vangen is. Zelfs door sommige natuuronderzoekers wordt zij even ongunstig als eenzijdig beoordeeld. Ik heb sinds mijn jeugd voor de Kat groote genegenheid gevoeld, en mij veel met haar bezig gehouden, daarom stem ik in met de onderstaande, door Scheitlin gegeven karakterschets, die, hoe men er overigens over denken moge, alleszins de aandacht verdient wegens haar oorspronkelijkheid, en naar het mij voorkomt, zich door een oordeelkundige opvatting en een rechtvaardige waardeering van den aard der Kat onderscheidt: “De Kat is een edel dier. Reeds uit haar lichaamsbouw blijkt haar voortreffelijkheid. Zij is een lief leeuwtje, een tijger in miniatuur. Al hare lichaamsdeelen zijn evenredig, geen er van is te groot of te klein; daarom valt aan haar reeds de geringste afwijking van den regel in het oog. Alles is afgerond; het fraaist is de vorm van den kop, hetgeen reeds uit de beschouwing van het geraamte blijkt: geen enkel dier heeft een fraaier gevormden schedel. Het geheele beenderengestel is fraai en verraadt een buitengewone vlugheid en geschiktheid tot lieftallige, golvende bewegingen. Hare buigingen vormen geen zigzaglijn met scherpe hoeken, hare wendingen zijn nauwelijks zichtbaar. ’t Is alsof zij geen beenderen heeft en uit niets anders dan een zachte stof bestaat. Groot en volkomen passend bij haar lichaam is haar geschiktheid tot het doen van zintuigelijke waarnemingen. Wij schatten de Katten gewoonlijk veel te laag, omdat wij hare dieverijen haten, hare klauwen vreezen, haar vijand, den Hond, hoog waardeeren, en van geen tegenstellingen houden, wanneer wij ze niet tot eenheid kunnen verbinden.

“Vestigen wij nu onze aandacht op hare voornaamste eigenaardigheden. Lichaam en ziel zijn vlug, beide als ’t ware uit één stuk. Hoe behendig draait zij zich in de lucht om, wanneer zij, met den rug naar beneden gericht, valt, al bedraagt de valhoogte slechts weinige voeten; hoe behendig houdt zij zich in evenwicht bij ’t loopen over smalle richels en boomtakken, zelfs wanneer deze krachtig geschud worden! Aantrekkelijk is zij zoowel naar het lichaam als naar den geest door haar liefde voor de zindelijkheid; zonder ophouden belekt en poetst zij zich. Alle haartjes, van den kop tot aan het puntje van den staart, moeten in de volmaakste orde liggen; om de haren van den kop glad te maken en te kammen belekt zij de pooten en strijkt zich vervolgens hiermede over den kop, zelfs de spits van den staart krijgt een beurt. Haar vuil verbergt zij, begraaft het in een door haar zelf in den grond gegraven kuil. Zij stelt haar lichaam hoog, niet alleen in figuurlijken, maar ook in letterlijken zin, en is hiervoor geschikt, doordat zij geen duizelingen kent en sterke zenuwen heeft.—Zij is uitstekend in staat tot het onderscheiden van kleuren en tonen: den mensch herkent zij aan zijn kleeding en zijn stem: zij wil de deur uitgaan, als zij geroepen wordt. Zij heeft een uitmuntend herinneringsvermogen voor plaatsen en trekt er partij van. In de geheele buurt—in alle huizen, kamers, kelders, onder alle daken, op alle hout- en hooizolders—is zij op bekend terrein. Zij is een echt huisdier, meer gehecht aan het huis dan aan zijne bewoners. Als deze verhuizen, blijft zij achter of keert weer naar ’t oude huis terug. Onbegrijpelijk is het, hoe zij haar huis kan terugvinden, nadat zij uren ver in een zak weggedragen werd.

“Buitengemeen is haar moed; tegen Honden, die haar in grootte en kracht ver overtreffen, houdt zij stand. Zoodra zij een Hond bespeurt, krompt zij op een veel beteekenende wijze haar rug omhoog. Hare oogen glinsteren van toorn of van plotseling opkomenden moed, gepaard aan een zekeren afschuw. Reeds van verre blaast zij tegen hem; misschien wil zij weg, den vijand ontvluchten, en springt daartoe, als zij in de kamer is, op een vensterbank, op de kachel of naar de deur. Indien zij echter jongen heeft, dan vliegt zij, als de Hond het nest nadert, vol woede op hem af, zit hem met een sprong op den kop en krabt hem erbarmelijk in de oogen, in ’t aangezicht. Als in dezen tijd een Hond haar aanvalt, zoo heft zij de pooten met de vooruitgestoken klauwen op en wijkt niet. Steeds tracht zij van achteren gedekt te zijn; in dit geval is zij onbezorgd, de zijden van haar lichaam kan zij met hare klauwen beveiligen; zij kan de pooten als handen gebruiken. Al komen vijf of meer Honden haar insluiten, op haar aanspringen, toch wijkt zij niet. Met één sprong zou zij gemakkelijk over hen heen kunnen komen, maar weet, dat zij dan verloren zou zijn, want de Hond kan haar wel inhalen. Als deze, zonder haar aangevallen te hebben, eindelijk weggaat, blijft zij dikwijls volkomen rustig zitten; zij wacht, als de Honden terugkeeren willen, nog tienmaal hun aanval af en weerstaat hen steeds. Andere trekken partij van de eerste de beste, gunstige gelegenheid, en beklimmen snel een naburige hoogte.

“Met haar moed staat haar vechtlust in verband, haar groote neiging om met hare soortgenooten te plukharen. Onverschrokkenheid en tegenwoordigheid van geest gaan met dien moed gepaard. Men kan de Katten niet verschrikt maken, zooals de Honden of de Paarden, maar alleen wegjagen. Deze hebben meer doorzicht, gene meer moed; men kan ze niet schichtig maken, niet in verwondering brengen. Men spreekt veel van hare sluwheid en list: te recht doet men dit; listig wacht zij doodstil voor het muizengat; listig kruipt zij ineen, wacht lang,—het muisje is reeds half voor den dag gekomen, de oogen van de Kat fonkelen, toch bedwingt zij zich. Zij is zich zelf meester, evenals alle listigen, en kent het juiste oogenblik voor den aanval.

“Gevoel, trotschheid, ijdelheid heeft zij slechts in geringe mate; zij is geen wezen voor gezelligheid, maar voor de eenzaamheid; zij verheugt zich over geen zegepraal en schaamt zich ook nimmer. Als zij van schuld bewust is, vreest zij alleen de straf. Als zij flink uitgescholden en gekasteid is, schudt zij zich de pels even uit en komt weinig minuten later met onbezwaard gemoed terug. Toch gevoelt zij zich niet weinig gevleid, als zij uitbundig geprezen wordt, na voor de eerste maal haar bekwaamheid in het muizenvangen getoond te hebben, hetgeen zij doet, door de prooi in de kamer te brengen en aan de menschen te laten zien. Zij komt dan ook later met haar buit in de kamer en toont telkens bewijsstukken van haar groote vaardigheid.

“Men spreekt van de zucht tot vleien en de valschheid van de Kat, ook wel van haar wraakzucht, maar overdrijft dan sterk. Als iemand haar uitmuntend bevalt—want zij kan innig liefhebben en ook innig haten—, strijkt zij dikwijls haar wang en hare zijden langs de wang en de zijden van den uitverkorene, liefkoost dezen op allerlei wijzen, springt ’s morgens vroeg op zijn bed, kruipt zoo dicht mogelijk tegen hem aan en kust hem. Vele Katten kan men echter nooit volkomen vertrouwen. Zij bijten en krabben dikwijls, wanneer men dit in ’t geheel niet van haar verwachten zou. In de meeste gevallen evenwel worden zij tot dit gedrag gedwongen om zich te verweren, daar men haar maar al te dikwijls in ’t geniep plaagt, zonder dat zij den plager weten uit te vinden. Wel is waar doet de Hond dit niet, maar de Hond is een goede sul. Men mag toch iemand, omdat hij niet goedaardig is, niet dadelijk valsch noemen. Werkelijk valsche Katten zijn zeldzame uitzonderingen, en zulke zijn er onder de Honden ook, ofschoon nog veel zeldzamer. De uitdrukking ‘valsche hond’ is immers spreekwoordelijk geworden, waar het een man geldt, evenals de benaming ‘valsche kat’ voor een vrouw. De omstandigheden, waardoor een mensch valsch wordt, hebben dezen invloed ook op de meest volkomen dieren.”

Gewoonlijk paart de Huiskat tweemaal in ieder jaar: eerst in ’t einde van Februari of in het begin van Maart, voor de tweede maal in ’t begin van Juni. 55 dagen na de paring brengt zij 5 à 6 jongen ter wereld, die blind geboren worden en niet vóór den negenden dag leeren zien. Gewoonlijk heeft de eerste worp tegen het einde van April of het begin van Mei plaats, de tweede in het begin van Augustus. Vooraf zoekt de moeder steeds een verborgen plaats op, meestal den hooizolder of niet gebruikte bedden, en houdt hare jongen zoolang mogelijk verborgen, vooral voor den Kater, die ze opvreet, als hij ze ontdekt.

De jonge Katjes zijn allerliefst, fraaie diertjes. De liefde van de moeder voor hare jongen is buitengemeen. Zij maakt voor de nog niet geboren schepseltjes een nest gereed en draagt de jongen oogenblikkelijk van de eene plaats naar een andere, zoodra zij voor hen gevaar ducht; daartoe vat zij ze zachtjes, slechts met de lippen, bij het nekvel aan, en draagt ze zoo voorzichtig, dat de poesjes er nagenoeg niets van bemerken. Zoolang zij zoogt, verlaat zij haar kroost alleen, om voedsel te halen. Vele Katten weten met hare eerste jongen niet om te gaan; het moet haar door de mensch en of door oude Katten eerst aangegeven worden, hoe zij zich moeten gedragen. Dat alle Katten gaandeweg beter leeren, hoe zij hare kinderen dienen te behandelen, is een uitgemaakt feit.

Een zoogende Kat zal, wanneer een vreemde Hond of een andere Kat haar nadert, met de grootste woede op de indringers afgaan, en zelfs haar meester veroorlooft zij niet graag, hare geliefde jongen aan te raken. Daarentegen toont zij in dien tijd ten opzichte van andere dieren een medelijden, dat haar eer aandoet. Er zijn vele voorbeelden van bekend, dat zoogende Katten jongen van Honden, Vossen, Konijnen, Hazen, Eekhoorns, Ratten, ja zelfs Muizen voedden en groot brachten; ik zelf heb als knaap met mijn Kat dergelijke proeven genomen en kan het feit bevestigen. Aan een Kat, die van jongs af door mij opgevoed was, bracht ik, toen zij voor de eerste maal jongen had geworpen, een nog blind Eekhoorntje. Met teederheid nam zij het vreemde kind onder hare eigene kinderen op, voedde en verwarmde het zoo goed mogelijk en behandelde het dadelijk, van den beginne af met een echt moederlijke zelfverloochening. Het Eekhoorntje groeide, evenals zijne stiefbroeders, voorspoedig op, en bleef, nadat deze reeds weggegeven waren, nog bij zijn pleegmoeder. Nu scheen deze haar voedsterling met verdubbelde liefde te beschouwen. Er ontstond tusschen de beide dieren eene zeer innige betrekking. De moeder en haar pleegkind begrepen elkander volkomen, de Kat riep op de haar eigen wijze, het Eekhoorntje beantwoordde dit met zijn gewone geknor. Weldra liep het zijn pleegmoeder door het geheele huis en later ook in den tuin na.

Gewoonlijk wordt beweerd, dat de Kat niet opgevoed kan worden; men doet haar hiermede groot onrecht aan. Zij geeft, wanneer zij goed en verstandig behandeld wordt, bewijzen van innige gehechtheid aan den mensch. Er zijn Katten—ik zelf heb er eenige gekend—, die reeds verscheidene malen met hare meesters van de eene woning naar een andere verhuisd zijn, zonder dat het haar in de gedachten kwam naar de oude woning terug te keeren. Zij waren dus van oordeel, dat de mensch in dit geval meer waarde heeft dan het huis. Andere Katten komen, zoodra zij haar meester op een afstand zien, oogenblikkelijk naar hem toe, vleien en liefkoozen hem, spinnen vol vertrouwen en trachten hem op allerlei wijzen haar genegenheid te toonen. Zij weten daarbij zeer goed personen die haar bekend zijn, van vreemden te onderscheiden, en laten zich van gene, vooral van kinderen, ongeloofelijk veel welgevallen, wel niet zooveel als alle, maar toch evenveel als sommige Honden. Andere Katten vergezellen hare meesters op een zeer aardige wijze bij wandelingen door hof en tuin, veld en bosch: ik zelf heb twee Katers gekend, die zelfs de gasten van haar meesteres op hoogst beminnelijke wijze uitgeleide deden, 10 à 15 minuten lang met hen medegingen, dan echter na liefkoozingen en een welwillend gespin afscheid namen en terugkeerden. De Katten sluiten niet alleen met menschen, maar ook met dieren vriendschap. Vele voorbeelden van de innigste vriendschap tusschen Honden en Katten zijn in tegenspraak met de welbekende spreekwijze.

Men zou nog veel meer bewijzen voor het verstand van dit voortreffelijk dier kunnen opnoemen. In de mooie maand Mei van het jaar 1859 had onze Huiskat vier allerliefste jongen op den hooizolder ter wereld gebracht en daar zorgvuldig voor aller oogen verborgen. Ongeveer 3 of 4 weken later komt zij plotseling bij mijn moeder, vleit en smeekt, roept en loopt naar de deur, alsof zij den weg wilde wijzen. Mijne ouders volgen haar; zij springt verheugd de binnenplaats over, verdwijnt op den hooizolder, komt boven aan de trap te voorschijn en werpt het eene jonge katje voor, het andere na op een beneden liggenden hoop hooi. De katjes werden vriendelijk opgenomen en geliefkoosd. Het bleek, dat de Kat bijna in ’t geheel geen zog meer had, en nadenkend over een middel om dit gebrek te verhelpen, schrander genoeg was geweest, om hare meesters met de zorg voor haar kroost te belasten.

Uit dit alles blijkt, dat de Katten de vriendschap van den mensch in de hoogste mate waardig zijn, en dat het eindelijk tijd wordt, de onrechtvaardige meeningen en de ongunstige oordeelvellingen over haar in overeenstemming met de waarheid te verzachten en te verbeteren. Bovendien moet men ook de diensten die de Katten ons bewijzen, hooger waardeeren, dan gewoonlijk geschiedt. Wie nooit in een bouwvallig huis gewoond heeft, waarin Ratten en Muizen naar hartelust rondspoken, weet in ’t geheel niet, wat het zegt, een goede Kat te hebben. Als men jaren lang met dit ongedierte onder één dak gewoond en gezien heeft, hoe volkomen machteloos de mensch tegenover hen is, als men herhaaldelijk schade geleden en zich dagelijks vele malen over deze afschuwelijke Knaagdieren geërgerd heeft, dan komt men langzamerhand tot de overtuiging, dat de Kat een van onze allerbelangrijkste huisdieren is, en derhalve niet alleen de grootste zorg en bescherming, maar ook dankbaarheid en genegenheid verdient. Reeds de aanwezigheid van een Kat is voldoende, om de overmoedige Knaagdieren van streek te brengen, en zelfs, om hen tot den aftocht te dwingen. Het Roofdier, dat hen van stap tot stap zorgvuldig nasluipt, het vreeselijke schepsel, dat hen in den nek pakt, vóór zij nog iets van zijn komst gemerkt hebben, boezemt hun afgrijzen en ontzetting in; zij verlaten daarom liever een op deze wijze tegen hen beveiligd huis; doen zij het niet, dan weet de Kat het op een andere wijze wel met hen klaar te spelen.

Muizen van verschillende soort, vooral Huismuizen en Veldmuizen, zijn het liefste wild van de Kat. De meeste Katten, hoewel niet alle, durven ook wel Ratten aan. Spitsmuizen vangt en doodt zij, althans zoo lang zij jong en onervaren is; zij eet ze echter niet op, waarschijnlijk omdat de muskus-reuk die deze Insecteneters verbreiden, haar tegenstaat; als de Kat ouder geworden is, laat zij ze ongehinderd loopen. Hagedissen, Slangen en Kikvorschen, Meikevers, Sprinkhanen en andere Insekten eet zij tot afwisseling. Bij haar jacht toont iedere Kat evenveel volharding als behendigheid. Evenals alle leden van de Roofdieren-orde, maakt ook zij zich trouwens wel eens schuldig aan misdrijven. Menig vogeltje wordt, zoolang het nog jong en hulpbehoevend is, door de Kat geroofd; zij durft vrij groote Hazen en bijna volwassene of afgematte Patrijzen aanvallen, loert ook wel op de kuikentjes der Huishoenderen, en houdt zich soms zelfs met de vischvangst bezig. Aan de keukenmeid verschaft zij veel reden tot ergernis, doordat zij met haar van meening verschilt over hetgeen aan een bewoner van het huis geoorloofd is, en de provisiekast plundert, zoodra hiervoor de gelegenheid bestaat. Alles bijeengenomen is de waarde van de diensten die de Kat ons bewijst, echter veel grooter dan de schade, die zij aanricht.

Van de Kat (Felis maniculata domestica) bestaan weinig verscheidenheden. Bij ons komen de volgende kleuren het meest voor: Effen zwart met een witte vlek midden op de borst; effen wit, lichtbruinachtig geel en voskleurig rood; donkerder en met dezelfde kleur getijgerd; effen blauwachtig grijs; lichtgrijs met donkere strepen; driekleurig met groote witte en gele, of met geelachtig bruine en koolzwarte (of grijze) vlekken. De blauwgrijze Katten zijn zeer zeldzaam, de lichtgrijze of Cypersche Katten algemeen; de echte moeten echter zwarte teenkussens en aan de achterpooten zwarte zolen hebben. Het fraaist zijn de Zebra-katten, die met donkergrijze of zwartachtig bruine dwarsstrepen als een Tijger geteekend zijn. Eigenaardig is het, dat de driekleurige Katten, die op sommige plaatsen voor heksen aangezien en daarom gedood worden, bijna zonder uitzondering wijfjes zijn.

De Angora-kat (Felis maniculata domestica angorensis) wordt bijna algemeen beschouwd als een ras in den eigenlijken zin van het woord; zij is een der fraaiste Katten die er bestaan; zij onderscheidt zich door hare grootte en lang, zijdeachtig zacht haar, dat zuiver wit, geelachtig, grijsachtig of ook wel gemengd van kleur is; de lippen en de zolen zijn vleeschkleurig.

*

Een enkele blik op het lichaam van den Leeuw, op de uitdrukking van zijn gelaat is voldoende om ons de overoude opvatting van alle volken, die dit dier leerden kennen, van ganscher harte te doen deelen. De Leeuw is de “koning” van de viervoetige roofdieren, de heerscher in het rijk der Zoogdieren. En hoewel de onderzoeker die zich met het rangschikken der dieren bezig houdt, den Leeuw eenvoudig moet beschouwen als een Kat van bijzonder krachtigen lichaamsbouw: de geheele indruk dien het dier maakt, zal ook hem nopen, den Leeuw in de familie der Katten de eereplaats toe te kennen.

De Leeuwen kunnen gemakkelijk van alle overige Katten onderscheiden worden. Hunne voornaamste kenteekenen zijn gelegen in den sterk gebouwden, krachtigen romp met de korte, glad neerliggende, eenkleurige beharing, in het breede, betrekkelijk kleinoogige aangezicht, in den koninklijken mantel, die de schouders van het mannetje bedekt, en in den kwast die het einde van den staart versiert. In vergelijking met de andere Katten is de romp bij den Leeuw kort, de buik ingetrokken, het geheele lichaam hierdoor zeer krachtig, hoewel niet plomp. De staart eindigt in een in den haarkwast verborgene, hoornachtige spits, die reeds door Aristoteles werd opgemerkt, maar welks bestaan door vele latere natuuronderzoekers ontkend werd. De oogen hebben een ronde pupil, de snorren zijn op 6 à 8 reeksen geplaatst. De mannelijke Leeuw onderscheidt zich vooral door de manen, die hem het trotsche, koninklijke voorkomen verschaffen. Deze manen bedekken, als zij volkomen ontwikkeld zijn, den hals en het voorste gedeelte van de borst, vertoonen echter zooveel verscheidenheid, dat men hiernaar—te recht of te onrecht, dit moeten wij onbeslist laten—verscheidene onder-soorten van Leeuwen onderscheiden heeft. Deze verschillende afwijkingen zullen hieronder in ’t kort beschreven worden; daarna moet ik het aan mijne lezers overlaten, zich over dit vraagpunt een oordeel te vormen. In de eerste plaats vestigen wij onze aandacht op den Leeuw van Barbarije, want hij is het, die sinds overouden tijd beroemd geworden is door zijn moed, zijne stoutmoedigheid en lichaamskracht, dapperheid en heldhaftigheid, door zijne adel en grootmoedigheid, zijn ernst en kalme bedaardheid, waardoor hij den naam van “koning der dieren” heeft gekregen.

De Leeuw van Barbarije (Felis leo barbarus) heeft, evenals zijne verwanten, een krachtigen, gedrongen gebouwden romp, welks voorste gedeelte wegens de breede borst en de versmalde liesstreek veel omvangrijker is dan het achterste gedeelte. De dikke, bijna vierhoekige kop verlengt zich tot een breeden en stompen snuit, de ooren zijn afgerond, de oogen niet meer dan middelmatig groot, maar levendig en vurig, de ledematen gedrongen en buitengewoon krachtig, de teenen zijn (wat hun volstrekte lengte betreft, en misschien ook wel naar evenredigheid van de grootte van het geheele dier) grooter dan bij alle overige Katten; de lange staart eindigt in een korten doorn, die door een vlokkigen kwast bedekt wordt. Een glad- en kortharige vacht van helder roodachtig gele of vaalbruine kleur bedekt het aangezicht, den rug, de zijden, de pooten en den staart; op sommige plaatsen hebben de haren zwarte spitsen of zijn geheel en al zwart, en juist hierdoor ontstaat de kleurenmengeling. De kop en de hals zijn door dichte manen omgeven. Ook de benedenzijde van den romp is in het midden over haar geheele lengte met lange, dicht bijeengeplaatste, sluike haren (buikmanen) bezet; zelfs aan de ellebogen en aan de voorste gedeelten der dijen staan minstens nog eenige vlokken van zulke haren. Dit geldt van het volwassen mannetje, bij wien de hoogte in de schoften 80 à 100 cM., bij 1.6 à 1.9 M. lichaamslengte en 75 à 90 cM. staartlengte bedraagt. Hieruit blijkt dus, dat de geheele lengte van het dier, van het voorste gedeelte van den snuit tot aan de spits van den staart omstreeks 2.4 à 2.8 M. is. Pas geboren Leeuwen zijn ongeveer 33 cM. lang, zij hebben zoomin manen als een staartkwast, maar zijn met een wollig, grijsachtig haarkleed bedekt; dit vertoont aan den kop, aan de pooten en de zijden, over den rug en aan den staart een teekening, die den in ’t vergelijken van dieren geoefenden onderzoeker onmiddellijk aan den Panter herinnert. Deze teekening verbleekt reeds in het eerste levensjaar, hoewel zij, vooral bij de wijfjes, nog gedurende verscheidene jaren, vooral aan de pooten en aan de onderzijde van het lichaam zichtbaar blijft. De Leeuwin blijft altijd min of meer op het jonge dier gelijken; vooral door de beharing onderscheidt zij zich van het mannetje: de haren zijn overal even lang of alleen aan het voorste gedeelte van het lichaam een weinig langer. De Barbarijsche Leeuw is beperkt tot het Atlas-gebergte en naburige gewesten.

Het Leven der Dieren: De Roofdieren

Подняться наверх