Читать книгу Ge-eft Acht! Schetsen uit het Indische soldatenleven - August Prell - Страница 8

EINDELIJK RECRUUT.

Оглавление

Inhoudsopgave

Op het voordek der Celebes stond eene groep van ongeveer 30 soldaten, die allen met schitterende oogen in de verte zagen naar kleine groene stippen, die zich scherp tegen den gezichteinder afteekenden. Geen enkele was er onder hen, die niet bij den aanblik der Duizend Eilanden—want zoo heetten de groene stippen—eene onbeschrijfelijke vreugde had gesmaakt. Het moest een bijzonder genot zijn, na eene reis van twee en veertig dagen weer eens vasten grond onder de voeten te voelen. Zoo velen hunner hadden in Napels, Port Said en Aden de gelukkige passagiers met jaloersche blikken nageoogd als zij lachend en schertsend de vreemde kusten betraden. Zoo velen hunner zouden gaarne zijn meegegaan. Doch dat was niet geoorloofd, [26]want de commandant ging van de juiste zienswijze uit, dat velen alsdan niet zouden terugkeeren. Thans echter naderde het oogenblik, waarop allen Insulinde’s bekoring zouden ondergaan. Reeds kon men aan den „Kleinen Boom” een woud van masten zien opduiken; reeds suisden kleine met vruchten beladen zeilscheepjes ons vaartuig op zijde; voer een stoombootje de Celebes tegemoet om de ongeduldige passagiers af te halen. Met een helsch spektakel ratelde het zware anker in de leverkleurige golven. Met de commando’s der scheeps-officieren, het regelmatige gejoel der matrozen en het geschreeuw der passagiers, bezorgd over hun bagage, vermengden zich de krijschende stemmen der geelhuidige vruchtenhandelaars. Gelukkig de weinigen, die nog eenige zilverlingen uit de klauwen der Harderwijker harpijen gered hadden.

Zij hadden zich afgezonderd en gaven voor hunne kameraden een kauwconcert. Dezen liep het water uit den mond, wanneer de eters sappige, dikke schijven ananas tusschen hunne kaken verdwijnen lieten. Een Vlaming liet zich zelfs tot eene poging tot landverraad verleiden en bood het geheele koninkrijk België te koop voor een dubbeltje, waarmede hij zich een bos pisangs wilde aanschaffen. De aanwezige Hollanders maakten echter van het aanbod geen gebruik, ofschoon zij zoo doende [27]weer doodgemoedelijk in het bezit der verloren provincies hadden kunnen geraken. Zoo behield koning Leopold zijn land en de Maleische vruchtenkoopman zijn pisangs.

Nadat de storm onder de passagiers een weinig bedaard was en allen in de kleine stoomboot waren overgeladen, kwamen ook de soldaten aan de beurt. Zij hadden zich niet over veel bagage bezorgd te maken. Eene zwart-lederen kist verborg al de gaven van het goedhartige gouvernement, van het „jachtgeweer” alias haarkam af, tot den schoenborstel. Zij hingen de kist over den schouder en zetten zich op commando in beweging. Het afscheid van de matrozen viel niet zwaar. Deze geven zich niet gemakkelijk met den koloniaal af.

Aan wal komende, werden de dertig blauwjurken door den plaatselijken adjudant van Batavia ontvangen, een kranig officier, wiens borst met de Militaire Willemsorde versierd was. Hij geleidde het gezelschap naar een huisje, waar elk een broodje—het eerste wittebrood sedert 42 dagen—en een glas wijn kreeg. Nadat op deze wijze het lichamelijk evenwicht hersteld was, werden ook aan den geest eenige indrukken te verwerken gegeven door voorlezing der krijgsartikelen. Deze kenden allen bijna van buiten. Tegen ongeveer tien militaire vergrijpen werd met de galg en tegen een half dozijn andere met den kogel gedreigd. Dit prettige [28]vooruitzicht had waarlijk niemand bewogen de verre reis te ondernemen. Onder de dertig soldaten was er niet één, die, ieder op zijne wijze, het hoofd niet met illusies had volgepropt; kogel en galg vonden er geen plaats meer. Helaas echter werden de schoone Hindoesche meisjes, die hier bij zwermen rond moesten loopen en den lezers van Multatuli en Heine in het hoofd spookten, aan de landingsplaats met smart gemist. Het eerste exemplaar generis feminini werd in een hoek van het spoorwegstation ontdekt. Daar ik zelf de gelukkige vinder was, is het mij ook mogelijk de vondst naar waarheid te beschrijven.

De dame zat in een donkeren hoek, zoodat ik haar eerst voor een stuk bagage hield, tot zij plotseling begon te lachen en daarmede mijne opmerkzaamheid gaande maakte. Bij nauwkeuriger toezien ontdekte ik een paar geelbruine beenen, die gedeeltelijk met een stuk gekleurde stof bedekt waren. Uit het gelaat kon ik vijf minuten lang niet wijs worden. Waar andere menschen den mond hadden, was hier een uitwas van de grootte van een vuist. Het raadsel werd opgelost, toen de dame den uitwas wegnam en eene roode vloeistof in een boogvormigen straal naar mij uitspuwde.

Nu bemerkte ik eerst, dat zij zich den tijd had gekort met het kauwen van tabak. Gerechte hemel, welk een monster! Had Heine haar gezicht kunnen [29]zien, dan zou hij zeker geen rust in zijn graf hebben gehad, maar onverwijld al zijne gedichten op Hindoemeisjes en Lotosbloemen vernietigd hebben. Zoo groot kan toch het onderscheid niet zijn tusschen de Indische meisjes aan den Ganges en die aan de Tjilewong. Alhoewel ik nu juist geen Lotosbloembedden, gelijk aan de Haarlemmer tulpenvelden, verwacht had, met in iedere bloemkelk een sluimerend, naar liefde smachtend Hindoemeisje—het contrast was toch al te sterk. In den geest legde ik eene gelofte van eeuwige kuischheid af. Zooals ik later vernam, was het schepsel eene soldatenvrouw, wier sterkere helft naar Europa was teruggekeerd.

Bij iedere gelegenheid monsterde zij de nieuw-aangekomenen, doch de vurig verbeide kwam niet. Dat kon men hem waarachtig niet kwalijk nemen. Zoo’n gezicht! Ze wacht zeker nog tot op den huidigen dag.

Intusschen scheen zij wel eenig voorgevoel te hebben van haar eeuwigdurend onbestorven weduwschap, want ze schold ons na, toen wij reeds op weg naar Meester-Cornelis waren. Daar werden wij in de bamboekazerne aan den adjudant van het Suppletie-depot overgeleverd, een 1sten luitenant met een Hunnengestalte, bij wien vergeleken de lange plaatselijke adjudant in Batavia nog maar een dwerg was. In zijn gevolg bevond zich een [30]sergeant, het zuiverste wandelende lexicon voor gepeperde Kasernhofblüthen. Een proeve van zijn talent genoten wij den tweeden dag.

Op den eersten dag mochten wij nog ongestraft onder palmen wandelen. O, hoe heerlijk was het toch onder de palmen! Daar zaten bruine mannen, die ons voor twee cent een geheele cocosnoot verkochten, voor drie cent een ananas en voor 5 cent de geheele muts vol smeerproppen. Men zou gewenscht hebben een olifantsmaag te bezitten, om al die bekende en onbekende lekkernijen te gelijk te genieten. Hoofd en maag dreigden mij bijna te bersten van al de nieuwigheden, die ik er in had opgestapeld. Ronggengs (danseressen), Chineezen, karbouwen, kokosnoten, ananas, een biefstuk van een vliegenden hond, versch toebereid „door den landsman van den Moezel”, een sluwe Chinees, alles en alles danste in dolle vaart voorbij mijn geestesoog, toen ik doodmoede van het zien, op mijn stroozak lag uitgestrekt, en de muskieten maakten er de muziek bij.

Hu! wat liep daar voor een beest over den balk boven mij? Zeker een schorpioen, een duizendpoot, een vergiftige slang, een …! Nu bleef het stil zitten en sperde den muil open. De tong schoot als een pijl tusschen de kaken te voorschijn en trok een langbeenige, niets kwaads vermoedende vlieg in den afzichtelijken strot. [31]

Bah! welk een afschuwelijk dier! Het slokte nog een vlieg op, nog één, nog een half dozijn.

Nu moest het monster bersten; het zwol op als een ballon. Neen! het berstte niet, maar het viel naar beneden, op mijn gezicht, midden op den mond, waaraan een pijnlijke kreet ontsnapte. „Domkop”, bromde mijn slaapkameraad „het is maar een „tjitjak”.”

Maar een „tjitjak”! En dat tegen een hagedis met ijskouden, opgezwollen buik! Brr! Het ondier vervolgde mij in mijn diepsten droom. Het verscheen mij als een draak met meters lange tong, die het schuimend naar mij uitstak. Nu lekte het mij de beenen, nu het lijf, telkens verder zoog het mij op. Alleen het hoofd staarde nog bevend de vingerlange tanden aan en de vuisten sloegen in doodsangst tegen de bloedroode, bliksemende oogen. Daar klonk mij als een bazuin van het jongste gericht de krachtige stem van den reeds genoemden sergeant in het oor: „Nu uit de wol; het is vijf uur!” Hij was het, die mij aan de beenen getrokken had en daardoor mij het gevoel had gegeven, alsof ik bij stukken in den drakenmuil verdween.

O, heerlijk, onvergetelijk was deze eerste morgen in Indië! Nog steeg de damp uit het dal van de Tjilewong. Reusachtige pisangstammen, en nog hoogere slanke palmen doemden uit de nevelen op, die onder de stralen der opgaande zon [32]langzaam in de oneindige ruimte vervloeiden.

Heerlijk geurden de met bloesems beladen twijgen van de „tjampakka”, maar nog heerlijker geurde de koffie, die ik in den menageketel huiswaarts droeg. „O, wat een lust, soldaat te zijn”, zongen eenige kameraden, onder het poetsen hunner knoopen. De illusionisten; zij waren nog lang geen soldaten! Eerst een half uur later zouden zij tot den doop worden voorbereid door eene predicatie, welke de reeds meermalen vermelde sergeant afstak. Zij luidde: „Geeft acht!—Stommerikken! Je moet niet denken, dat je nog in dat voddige Harderwijk bent. Daar kon je, als je bezopen waart, ongestraft in de straatgoot gaan liggen; daar is hier geen denken aan. Hier verlangt men van ieder die uit de kantine komt, dat hij driemaal achter elkaar rechtsomkeert maakt en kan hij het niet, dan gaat hij in Zijner Majesteits snuifdoos. Dat kan vandaag misschien een half dozijn van jelui gebeuren, die gisteren toen ze thuis kwamen, niet meer wisten, wat rechts- of linksom was.—Op de plaats rust!” Diepe, eerbiedige stilte heerschte er na deze geharnaste woorden. Maar lang duurde zij niet, want de luitenant kwam, om de nieuwe uniformen van den troep in oogenschouw te nemen. Nooit heb ik later zulk een angst uitgestaan als bij deze eerste inspectie. Zij begon bij den linkervleugelman. Die kromp letterlijk ineen onder [33]den handgreep van den luitenant, wiens bruine vingers zich als vijf cervelaatworsten om hoofd en hals van den ongelukkigen recruut kromden. „Dat noemt zich soldaat,” riep hij met dreunende stem en hief den kerel als een veer in de lucht. „Sergeant, haal een min! Wat moeten we met dat dwergengebroed aanvangen, dat niet eens de uniform past?” Daarbij stak hij den armen vent twee zijner cervelaatworsten—vingers wilde ik zeggen—tusschen rokskraag en hals, zoodat den delinquent de oogen uitpuilden en de tong uit den mond hing. Op die manier inspecteerde hij den geheelen troep. Hier tilde hij er een van den grond, terwijl hij ’s mans hoofd tusschen de palmen zijner handen nam, „om den langen hals nog langer te maken”, zooals hij zich uitdrukte. Ginds drukte hij een ander de schouders naar achteren, zoodat het slachtoffer de knoopen van de uniform sprongen. Kortom, allen ondervonden de reuzenkrachten van den luitenant.

Nu ja, ieder die wat lang in Indië geweest is, heeft van luitenant D. gehoord, die eens een Javaansch koetsiertje, dat ongelukkig in volle vaart tegen hem aanreed, met paard en wagen in de straatgoot wierp.

Eindelijk was de inspectie afgeloopen en de manschappen werden ondervraagd naar de wenschen, die zij voor de toekomst koesterden. De luitenant [34]begon daarmee bij den linkervleugel. „Wat wil je worden?” vroeg hij den kleinen kerel, wien de uniform niet paste.

„Officier, luitenant,” was het antwoord.

„Zoo-o-o! En jij?” vroeg hij een ander.

„Ook officier, luitenant.”

„En jij?”

„Stafmuzikant, luitenant.”

„Wat speel je voor instrument?”

„Ocarina, luitenant.”

Ik dacht, dat het op dat oogenblik met den armen kerel gedaan was; geen duit gaf ik meer voor hem, toen de luitenant hem bij den kraag pakte en hem toebulderde: „Jij, lummel, zou je me misschien voor den gek willen houden? In de provoost kun je ocarina blazen, brutale kerel. Dan kon-je iederen orgeldraaier wel stafmuzikant maken!”

Het arme kereltje werd bij de bedreiging doodsbleek. Hij had op de lange reis van passagiers en kameraden zooveel lof ingeoogst voor zijn schoon spel, en in de vaste meening verkeerd, dat hij er bij de stafmuziek wel de andere instrumenten zou bijleeren. Nu was de illusie vervlogen.

De luitenant ging verder.

„Wat wil je worden?” was het tot een mageren ex-candidaat in de theologie.

„Ook officier, luitenant.”

„En jij, en jij, en jij.…?” [35]

„Officier, officier, officier.…!”

Nu barstte hij in bulderend gelach uit: „Ha, ha, ha, maar dat is een bescheidenheid, die roerend is. Daar hebben we dus onder de dertig kerels 21 adspirant-officiers, twee sergeants-candidaten, een blazer en zes soldaten. Jelui kunt allemaal… ha, ha, ha! Rechtsomkeert, marsch!”

Goddank, ook deze kelk was aan mij voorbijgegaan. Nu kwam echter nog een moeilijk oogenblik. Allen, die zich als toekomstige officieren hadden opgegeven, hadden voor den luitenant een soort examen af te leggen, waarmee ze het bewijs moesten leveren, dat ze werkelijk iets geleerd hadden, om later eens op de kaderschool te komen en misschien, na jaren, op de militaire school.

Een paar candidaten hadden reeds met hoogroode gezichten het primitieve examenlokaal in de bamboekazerne verlaten. Thans kwam de beurt aan mij.

„Zitten,” klonk het kortaf. „Ken je Fransch?”

„Jawel, mijnheer de luitenant.”

„Dat „mijnheer” schenk ik je. Voortmaken.”

Het was eene fabel van Lafontaine, die ik lezen moest; ik deed het tot tevredenheid van Zijnedelgestrenge.

„Ken je Latijn,” vroeg hij verder. „Jawel luitenant.” Ik wist reeds, wat er nu kwam. Mijn vriend Sch., die een jaar geleden hetzelfde examen [36]had doorstaan, had het mij verraden. De luitenant kende geen Latijn, maar had, aangezien eenige vermetelen hem reeds een paar maal met hun keukenlatijn wat hadden voorgelogen, een kapittel uit een Latijnsch boekje uit het hoofd geleerd. Precies, hij sloeg het zooveelste hoofdstuk op en ik begon vloeiend te vertalen: Hannibal, postquam Alpes transiisset, in Italiam incidit, enz.

„Goed,” zeide hij.

Nu kwamen wij aan de geographie.

„Noem mij eens een paar zeeën op,” beval hij.

Ik begon natuurlijk het eerst met de „Seeën” van mijn vaderland, waarop ik zoo vaak aan het spelevaren was geweest, de Königssee, Chiemsee, Kochelsee, Starenbergersee, enz.

De luitenant zag mij wantrouwend aan en schudde het hoofd. „Wacht,” dacht ik, „hij wil grootere hebben en ik ging voort: Baikalsee, Ladogasee.….”

„Zwijg,” donderde hij, „dat zijn geen zeeën.”

Nu brak mij het angstzweet uit. Zouden de genoemde seeën hem alle onbekend zijn?

„De Müggelsee” riep ik in wanhoop; die moest hij toch kennen.

„Wat,” barstte hij uit, „de muggenzee? Ben je wel goed, of wil je mij voor den gek houden? Waar ligt die zee dan?”

„Bij Berlijn, luitenant,” kreunde ik in mijn angst.

„Wat wil je voor den donder met al die plasjes?” [37]schreeuwde hij. „Heb je dan nog nooit van de Middellandsche Zee gehoord, of van de Roode Zee?”

„Maar luitenant, dat zijn immers „Meere” en geen „Seeën”?” stotterde ik.

„En nu houd je den mond!” donderde hij. „Van de geographie heb je geen flauw begrip.”

Nog moest ik de stelling van Pythagoras bewijzen; daarop kon ik gaan.

„Je behoeft nu niet te denken, dat je morgen al de luitenantssterren op je kraag krijgt,” riep hij mij nog na. Wat wonder!

Tien minuten later stond ik voor mijn gapenden, ledigen stroozak en verwondde mij den vinger aan de stoppelige rijsthalmen, waarmee ik hem vullen moest. Welk een onderscheid! Voor weinige oogenblikken nog was ik met Hannibal over de Alpen getrokken en had Italië doen sidderen en thans.…. Daarbij kwam nog het afschuwelijke stof, dat zich uit het stroo, waaraan groote aardkluiten zaten, losmaakte. „Dat gebeurt opzettelijk,” zei de sergeant, die goed gemutst scheen te zijn. „Als je ’s nachts op den stroozak klopt, dan komt er stof uit. De muskieten denken dan: „de kerel rookt” en bijten je niet.”

Maar niettegenstaande dat beten ze mij toch.

Wat was ik in mijn schik, toen ik den volgenden morgen bij de 1ste compagnie van het 1ste depot-bataljon [38]werd ingedeeld! Eindelijk recruut! Wat had dat lang geduurd!

Welk een kranige compagnies-commandant was de kapitein v. V.…n!

Welke illusies wekte de aanblik van den held op, wiens borst gesierd was met de Willemsorde en twee eervolle vermeldingen en aan wiens zijde de eeresabel kletterde!

Den een na den ander der recruten riep hij vóór zich, om hem naar één der verschillende afdeelingen te verwijzen. Er waren er vier. In de eerste kwamen zij, die nog nooit soldaat geweest waren.

„Wat was je vroeger?” vroeg hij een Duitscher.

„Luitenant bij de dragonders!”

„Tweede afdeeling!”

„En jij?”

„Onderofficier in het Keizerin Augusta-regiment.”

„Derde afdeeling!”

„En jij?”

„Korporaal bij het 7e.”

„Vierde afdeeling!”

Nu naderde een ventje met een zeer gewichtig gezicht.

„En jij?” vroeg de kapitein weer, zonder op te zien.

„Eerste luitenant bij de dienstdoende schutterij,” klonk het in het volle bewustzijn eener groote waardigheid. [39]

Het mannetje zette een gezicht, of het zijn onmiddellijke indeeling bij den generalen staf uit den mond van den kapitein dacht te vernemen.

Hoe verschrok de arme stakkert, toen de kapitein met een medelijdend lachje, kalmpjes antwoordde: „Eerste klasse.”

In deze klasse kreeg het kereltje niet eens een geweer in handen. En „schutter” komt toch van „schieten”?

Ja, het is toch merkwaardig, hoe weinig de verdiensten der schutterij in het leger gewaardeerd worden!

Een uur later hielden wij exercitie in de „Berenlaan.” Eene aardige bezigheid bij 95° warmte. Daarbij voelt men het Europeesche vet gram voor gram wegslinken. Maar wat maakt het uit? Daar ginder, heel, heel in de verte, blinken immers de korporaalsstrepen! [40]

Ge-eft Acht! Schetsen uit het Indische soldatenleven

Подняться наверх