Читать книгу Voordat hij ziet - Блейк Пирс - Страница 10
HOOFDSTUK VIER
Оглавление“Dat kun je niet doen,” zei Bryers toen ze weer in de auto zaten, en terwijl hij reed.
“Wat kan ik niet doen?”
Hij zuchtte en deed zijn best om oprecht te lijken in plaats van disciplinair over te komen. “Ik besef dat je waarschijnlijk nooit eerder in een dergelijke situatie bent geweest, maar je kunt de familie van een slachtoffer niet beloven dat de moordenaar er niet mee wegkomt. Je kunt ze geen hoop geven als die er niet is. Verdorie, zelfs al is er hoop, zoiets mag je nooit beloven.”
“Ik weet het,” zei ze teleurgesteld. “Ik besefte het meteen nadat het had gezegd. Mijn excuses.”
“Excuses zijn niet nodig. Probeer gewoon je hoofd koel te houden. Begrepen?”
“Begrepen.”
Omdat Bryers beter bekend was in de stad dan Mackenzie, reed hij naar het hoofdkantoor van het Openbaar Streekvervoer. Hij had haast en vroeg Mackenzie om alvast te bellen om ervoor te zorgen dat ze met iemand zouden kunnen praten die verstand van zaken had, zodat ze binnen een paar tellen weer buiten konden staan. Het was snel en gemakkelijk geregeld, en Mackenzie was onder de indruk van zijn efficiëntie. Het was absoluut anders dan wat ze in Nebraska had ervaren. Tijdens de rit die ongeveer een half uur had geduurd bleef Bryers het gesprek gaande houden. Hij wilde alles weten over haar tijd bij de politie in Nebraska, en met name over de Vogelverschrikker Moordenaar. Hij vroeg naar haar tijd op de universiteit en haar interesses. Ze vond het geen enkel probleem om hem wat oppervlakkige informatie te geven maar ging niet al te diep op zijn vragen in, vooral ook omdat hijzelf ook oppervlakkig bleef.
Bryers leek zelfs terughoudend. Toen Mackenzie hem naar zijn familie had gevraagd, had hij het zo algemeen als hij kon gehouden zonder onbeleefd te zijn. “Een vrouw, twee jongens die naar school gaan, en een hond die op zijn laatste poten loopt.”
Achja, dacht Mackenzie. Het is pas onze eerste dag samen en hij kent me nog helemaal niet, hij weet alleen wat hij zes maanden geleden over me in de krant heeft gelezen, en wat in mijn dossier van de Academie staat. Ik kan het hem niet kwalijk nemen dat hij zich nog niet open stelt ten opzichte van mij.
Toen ze op het hoofdbureau van het Openbaar Streekvervoer aankwamen, had Mackenzie nog steeds een positieve indruk van de oudere Agent, maar er hing een spanning tussen hen die ze niet helemaal begreep. Misschien voelde hij het niet zo; misschien lag het aan haar. Het feit dat hij eigenlijk alle vragen die ze over zijn werk had gesteld niet had beantwoord maakte haar ongemakkelijk. Het herinnerde haar eraan dat dit haar werk nog niet was. Ze deed gewoon mee als een gunst voor Ellington, een manier om te kijken of ze ook daadwerkelijk geschikt was voor dit werk.
Een andere reden waarom ze bij dit alles betrokken was, was omdat er door mensen op hoge functies achter de schermen duistere dealtjes waren geslagen en met haar bemoeienis in dit onderzoek een grote gok waagden. Het voegde een geheel nieuw niveau van risico toe, niet alleen voor haar maar ook voor de mensen met wie ze nu samenwerkte, inclusief Bryers en Ellington.
Het hoofdbureau van het Openbaar Streekvervoer bevond zich in een gebouw met ongeveer tien andere afdelingen. Mackenzie volgde Agent Bryers door de gangen. Hij liep snel en knikte hier en daar naar mensen alsof hij er vaker was geweest. Een paar mensen leken hem te herkennen en gaven hem een snelle glimlach of wuifden naar hem. De dag liep ten einde, de mensen leken haast te hebben, wachtend op vijf uur.
Toen ze in het gedeelte van het gebouw aankwamen waar ze moesten zijn, liet Mackenzie de boel even bezinken. Nog geen vier uur geleden was ze uit de klas van McClarren gestapt, en nu zat ze ineens tot haar nek toe verwikkeld in één of andere moordzaak, en werkte ze met een Agent die goed getraind en verdomd goed was in zijn werk.
Ze liepen naar de receptie en Bryers leunde iets voorover en keek de de jonge vrouw die achter het bureau zat, recht in haar gezicht. “We hebben gebeld, we willen met iemand praten over de bus roosters,” legde hij uit aan de vrouw. “Agenten White en Bryers.”
“Oh ja,” zei de receptioniste. “U kunt het beste met mevrouw Percell praten. Ze is in de achterkant van het bus depot. Het is de gang helemaal door, de trap af en dan aan de achterkant.”
Ze volgden de aanwijzingen van de receptioniste op, en gingen op weg naar de achterkant van het gebouw. Mackenzie kon het brommen en het gerommel van de motoren al horen. Het gebouw was zo gebouwd dat het geluid helemaal niet te horen was geweest in het drukke, mooiere gedeelte van het gebouw, maar hier achterin klonk het bijna als een autogarage.
“Wanneer we deze mevrouw Percell ontmoeten,” zei Bryers,“ wil ik dat jij het woord doet.”
“Oké,” zei Mackenzie, ze had nog steeds het gevoel dat ze één of ander raar examen aan het afleggen was.
Ze namen de trap naar beneden en volgden een bord met de naam Garage / Bus Depot. Beneden leidde een smalle gang naar een klein open kantoor. Een man die eruit zag als een monteur stond achter een verouderde computer en typte iets in. Door een groot raam kon Mackenzie de grote garage zien. Er stonden verschillende stadsbussen geparkeerd die voor onderhoud binnen stonden. Terwijl ze door het raam keek, ging een deur achter in het kantoor open en een vrolijk ogende, gezette vrouw liep de garage binnen.
“Zijn jullie de FBI-mensen?”
“Ja, dat klopt,” zei Mackenzie. Naast haar flitste Bryers met zijn insigne, waarschijnlijk omdat zij er geen had om te laten zien. Percell leek tevreden met deze referentie en begon meteen te praten.
“Ik begrijp dat jullie vragen hebben over de bus roosters en het rooster van de chauffeurs,” zei ze.
“Dat klopt,” antwoordde Mackenzie. “We hopen erachter te komen welke buschauffeur drie dagen geleden op een bepaalde halte heeft gereden, en willen graag met deze chauffeur praten.”
“Natuurlijk,” zei ze. Ze liep naar het kleine bureau waar de monteur aan het typen was en stootte hem speels aan. “Doug, laat mij het stuur even overnemen, wil je?”
“Graag,” zei hij met een glimlach. Hij stond op van het bureau en terwijl mevrouw Percell achter de computer ging zitten liep hij terug de garage in. Ze drukte op een paar toetsen en keek daarna trots op, duidelijk blij dat ze van dienst kon zijn.
“Waar is de halte in kwestie?”
“Op de hoek van Carlton en Koningstraat,” zei Mackenzie.
“En om welke bus zou het gaan?”
“Die van acht uur' s ochtends.”
Mevrouw Percell typte snel de informatie in en keek even naar het scherm voordat ze antwoord gaf. “Dat was busnummer 2021, bestuurd door Michael Garmond. Die bus stopt nog op drie andere haltes voordat deze om half tien weer bij dezelfde bushalte is.”
“We willen graag met mijnheer Garmond spreken,” zei Mackenzie. “Kunt u ons alstublieft zijn contactinformatie geven?”
“Ik kan het u nog gemakkelijker maken,” zei mevrouw Percell. “Michael is nu in de garage en is net klaar voor vandaag. Laat me proberen of ik hem te pakken kan krijgen.”
“Bedankt,” zei Mackenzie.
Mevrouw Percell stormde naar de garagedeur met een snelheid die onwaarschijnlijk leek voor iemand met haar gewicht. Mackenzie en Bryers keken toe hoe ze systematisch door de garage liep, op zoek naar Michael Garmond.
“Was iedereen maar zo enthousiast over het helpen van de FBI,” zei Bryers grijnzend. “Maar geloof me ... wen er maar niet aan.”
In minder dan een minuut keerde mevrouw Percell terug naar het kleine kantoortje, gevolgd door een oudere man. Hij zag er moe uit, maar was, net als mevrouw Percell, meer dan bereid om te helpen.
“Hé, mensen,” zei hij en glimlachte moe. “Hoe kan ik u helpen?”
“We zijn op zoek naar details over een vrouw waarvan we bijna zeker zijn dat ze drie ochtenden geleden bij halte achtentwintig op de hoek van Carlton en de Koningstraat in de bus is gestapt,” zei Mackenzie. “Denk je dat je ons daarmee zou kunnen helpen?”
“Waarschijnlijk wel,” zei Michael. “Er zijn niet veel mensen die daar 's ochtends instappen. Ik krijg er nooit meer dan vier of vijf.”
Bryers haalde zijn mobiele telefoon tevoorschijn, deed er even iets mee, en vond een foto van Susan Kellerman. “Dit is ze,” zei hij. “Ziet ze er bekend uit?”
“Hé, ja, ik herken haar,” zei Michael, een beetje te opgewonden naar de mening van Mackenzie. “Lieve meid. Altijd erg aardig.”
“Weet je nog waar ze drie ochtenden geleden uit is gestapt?”
“Jawel,” zei Michael. “Ik vond het al vreemd omdat ze ongeveer twee weken lang om de andere ochtend, altijd bij een andere bushalte uitstapte. Op een ochtend maakte ik een praatje met haar en ze vertelde me dat ze vanaf haar gebruikelijke stop twee blokken moest lopen om op één of ander kantoor te werken. Maar drie dagen geleden stapte ze op het station uit in plaats van bij een tussenstop. Ik zag haar op een andere bus springen. Ik hoopte eigenlijk dat ze een betere baan of zoiets had gekregen, en daarom een andere route nam.”
“Waar stapte ze uit?” Vroeg Mackenzie.
“Dupont Circle.”
“Hoe laat denk je dat dat ongeveer was?”
“Waarschijnlijk rond kwart voor negen of zo,” antwoordde Michael. “Zeker niet later dan negen uur.”
“Dat kunnen we controleren in onze administratie,” zei mevrouw Percell.
“Dat zou geweldig zijn,” zei Bryers.
Mevrouw Percell ging weer aan het werk achter het beduimelde kleine bureautje terwijl Michael de Agenten verliefd aankeek. Hij keek opnieuw naar de foto op de telefoon van Bryers en fronste. “Is er iets ergs met haar gebeurd?” Vroeg hij.
“Om eerlijk te zijn, ja,” zei Mackenzie. “Dus als je ons iets meer zou kunnen vertellen over die ochtend zou dat geweldig zijn.”
“Nou, ze droeg een koffer, eentje zoals vertegenwoordigers bij zich hebben. Geen aktetas, maar een goedkoper ding, weet je wel? Ze verkocht spullen voor de kost, voedingssupplementen en zo. Ik dacht dat ze misschien op weg was naar een klant.”
“Weet je in welke bus ze is gestapt na de jouwe?” Vroeg Mackenzie.
“Nou, ik herinner me het nummer van de bus niet, maar ik herinner me wel dat ik de Zwarte Molenstraat op de bestemmingsindicator in de voorruit zag. Dat vond ik nogal vreemd...waarom zou zo’n mooi meisje naar dat deel van de stad te gaan.”
“Wat bedoelt u daarmee?”
“Ach, de buurt zelf is wel oké, denk ik. De huizen zijn niet al te slecht en ik denk dat de meeste mensen daar fatsoenlijke mensen zijn. Maar het is wel één van de locaties waar de niet-zo aardige mensen rondhangen en hun ding doen. Toen ik zes jaar geleden voor deze taak werd opgeleid, werden de chauffeurs geïnformeerd op welke plaatsen we alert moesten zijn op gevaar. De Zwarte Molenstraat was daar een van.”
Mackenzie dacht hier diep over na en realiseerde zich dat ze alle waardevolle informatie hadden gekregen die ze van Michael Garmond konden krijgen. Ze wilde efficiënt lijken voor Bryers, maar ze wilde ook niet overkomen alsof ze tijd verspilde aan triviale details.
“Hartelijk dank, mijnheer Garmond,” zei Mackenzie.
“De stop bij Dupont Circle was om acht uur achtenveertig, Agenten.” voegde mevrouw Percell er van achter het bureau nog aan toe.
Toen ze zich omdraaiden en liepen zwijjgend naar buiten, totdat ze bij de trap terug naar boven aankwamen. Terwijl ze op de trap naar boven verbrak Bryers de stilte.
“Hoe lang ben je nu al in Quantico?” Vroeg hij.
“Elf weken.”
“Dan ben je waarschijnlijk nog niet bekend met de buitenwijken van de stad, hè?”
“Nee.”
“Ooit in Zwarte Molenstraat geweest?”
“Niet dat ik weet,” zei Mackenzie.
“Je mist er niks aan. Maar hey, misschien hoeven we niet zo ver te gaan. We beginnen bij Dupont Circle en kijken daar rond. Misschien kunnen we iets vinden op de beveiligings- camera's.”
“Nu?”
“Ja, nu,” zei Bryers. Er klonk een sprankje van ergernis door in zijn stem, het eerste teken dat hij moe werd van de samenwerking met een groentje, hoe veelbelovend ze ook mocht zijn. “Wanneer er een moordenaar vrij rondloopt, dan houden we ons niet aan de klok.”
Er lagen verschillende antwoorden op het puntje van haar tong, maar ze kon deze nog net op tijd inslikken. Hij had natuurlijk gelijk. Als ze iets had geleerd van haar beproeving met de Vogelverschrikker Moordenaar was het wel dat wanneer je op jacht was naar een moordenaar waarvan elk spoor ontbrak, iedere minuut telde.