Читать книгу Voordat hij ziet - Блейк Пирс - Страница 7

HOOFDSTUK EEN

Оглавление

De regen viel gestaag naar beneden, zo hard dat Mackenzie White haar eigen voetstappen niet kon horen. Dit was goed. Het betekende dat de man die ze achtervolgde hen ook niet zou kunnen horen.

Toch moest ze voorzichtig te werk gaan. Het regende niet alleen, maar het was ook nog donker buiten. De verdachte kon net als zij gebruik maken van de duisternis. De zwak flikkerende straatlantaarns werkten echter niet in haar voordeel.

Met haar verregende haren en haar regenjas zo nat dat deze aan haar lichaam vastgeplakt zat, stak Mackenzie in een snel tempo de verlaten straat over. Voor haar liep haar partner al richting het bewuste gebouw. Ze zag hoe hij laag gehurkt tegen de oude betonnen muur van het gebouw stond. Terwijl ze naar hem toe liep, haar weg alleen verlicht door het maanlicht en de straatlantaarn die een blok verderop stond, verstevigde ze haar greep om de door de Academie uitgegeven Glock die ze in haar hand had.

Ze begon het gevoel van een pistool in haar hand te waarderen. Het was meer dan een gevoel van veiligheid, iets wat meer weg had van een relatie. Wanneer ze een pistool in haar handen hield en wist dat ze ermee zou gaan schieten, voelde ze er een intieme band mee. Ze had dit nooit gevoeld tijdens haar werk als een ondergewaardeerde detective in Nebraska; het was iets nieuws dat de FBI Academie in haar los had gemaakt.

Ze bereikte het gebouw en kroop samen met haar partner langs de muur. Hier kon de regen haar tenminste niet meer geselen.

Haar partner heette Harry Dougan. Hij was tweeëntwintig, goed gebouwd en op een subtiele en bijna respectabele manier eigenwijs. Ze was opgelucht dat ook hij er een beetje zenuwachtig uitzag.

“Heb je hem gezien?” Vroeg Mackenzie hem.

“Nee. Maar de voorkamer is vrij. Dat kun je door het raam net zien,” zei hij, voor zich uit wijzend. Er was één enkel raam en in het kozijn bevonden zich scherpe gebroken glasscherven.

“Hoeveel kamers?” Vroeg ze.

“Zeker drie.”

“Laat mij voorop gaan,” zei ze. Ze zorgde ervoor dat het niet als een vraag klonk. Zelfs hier in Quantico moesten vrouwen assertief zijn om serieus genomen te worden.

Hij gebaarde haar dat ze door kon lopen. Terwijl ze voor hem uitliep, kroop ze langzaam naar de voorkant van het gebouw. Ze gluurde rond en zag dat de kust veilig was. De straten waren griezelig leeg en alles zag er verlaten uit.

Ze gaf Harry een snel knikje dat hij naar voren moest komen en zonder aarzeling kwam hij dichterbij. Hij hield zijn eigen Glock stevig in zijn handen en hield het laag op de grond gericht tijdens hun achtervolging, precies zoals ze hadden geleerd. Samen kropen ze naar de voordeur van het gebouw. Het was een verlaten betonblok, misschien een oud magazijn of opslagplaats, en de deur zag er gehavend uit. Het was duidelijk dat deze open was, een donkere kier onthulde een glimp van de binnenkant van het gebouw.

Mackenzie keek naar Harry en telde af met haar vingers. Drie, twee…. één!

Mackenzie drukte haar rug tegen de muur, terwijl Harry op zijn hurken de deur open duwde en naar binnen glipte. Ze snelde achter hem aan, ze werkten samen als een geoliede machine. In het gebouw was bijna geen licht. Snel greep ze naar haar zaklamp die ze op haar heup droeg. Net toen ze op het punt stond deze aan te klikken, bedacht ze zich. Het licht van de zaklamp zou hun locatie met zekerheid verraden. De verdachte zou hen ver van tevoren kunnen zien aankomen en zou waarschijnlijk kunnen ontsnappen…alweer kunnen ontsnappen.

Ze stopte haar zaklamp terug en nam de leiding weer, kruipend voor Harry die zijn Glock nu op de deur aan haar rechterzijde gericht hield. Toen haar ogen eenmaal aan de duisternis gewend waren kon ze meer details onderscheiden. Het gebouw was voor het grootste gedeelte leeg en verlaten. Een paar doorweekte kartonnen dozen stonden tegen de achterste muur aan. Vlakbij de verste hoek van de kamer stond een zaagbok en lagen verschillende oude kabels. Behalve dit was de grote ruimte leeg.

Mackenzie liep naar de deur rechts van haar. Het was eigenlijk alleen een deuropening, de daadwerkelijke deur was al lang geleden verwijderd. Binnenin verborgen de schaduwen bijna alles. Op een gebroken glazen fles en iets wat op rattenkeutels leek na, was de ruimte leeg.

Ze stopte en terwijl ze zich omdraaide realiseerde ze zich dat Harry veel te dichtbij volgde. Ze stapte bijna op zijn voeten toen ze achteruit de kamer uit liep.

“Sorry,” fluisterde hij in het donker. “Ik dacht dat….”

Hij werd onderbroken door het geluid van een schot. Dit werd onmiddellijk gevolgd door een oef-geluid dat uit Harry's mond kwam terwijl hij tegen de grond ging.

Mackenzie drukte haar lichaam dicht tegen de muur toen er nog een knal volgde. Het schot kwam van de andere kant en sloeg tegen de muur; ze voelde de impact ervan met haar rug.

Ze wist dat als ze nu snel handelde, ze de dader te pakken zou kunnen nemen in plaats van deel te nemen aan een schietpartij van de ene muur naar de andere. Ze keek naar Harry, zag dat hij nog steeds bewoog en grotendeel bij kennis was, en greep hem vast. Ze trok hem door de deuropening, weg uit de vuurlinie. Terwijl ze hiermee bezig was volgde er nog een schot. Ze voelde hoe de kogel net over haar schouder ging, de lucht zoefde langs haar regenjas.

Nadat ze Harry in veiligheid had gebracht verspilde ze geen moment meer en besloot direct tot actie over te gaan. Ze greep haar zaklamp, klikte hem aan en gooide deze door de deur. Voor enkele seconden kletterde het op de grond, de witte lichtstraal wild dansend op de muur aan de overzijde.

Tijdens het gekletter draaide Mackenzie zich snel door de deuropening. Ze hurkte laag, haar handen gleden over de vloer terwijl ze zich zo klein mogelijk maakte. Terwijl ze naar links rolde, zag ze direct rechts van haar de gedaante van de dader die nog steeds op de zaklamp gefocust was.

Ze stopte haar rol en stak met grote kracht haar rechterbeen uit. Het raakte de dader aan de achterkant van zijn been, net onder de knie. De verdachte zakte een beetje ineen en dat was alles wat ze nodig had. Ze sprong op en sloeg haar rechterarm om zijn nek en terwijl hij door zijn knieën ging, trok ze hem hardhandig naar beneden. Ze bracht haar knie in zijn maagstreek en na een behendige beweging van haar linkerarm lag de dader op de grond. Ze ontwapende hem en hield hem zodanig vast dat hij geen kant meer op kon.

Ergens in het oude gebouw riep een luide stem: “Halt!”

Een reeks heldere witte lampen werden hoorbaar ingeschakeld en overspoelden het gebouw met licht.

Mackenzie stond op en keek naar de verdachte. Hij glimlachte naar haar. Hij had een bekend gezicht, een gezicht dat ze al verschillende keren in haar trainingssessies had gezien, meestal bevelen schreeuwend en instructies blaffend naar de trainees.

Ze stak haar hand uit en hij pakte deze aan en kwam van de vloer omhoog. “Verdomd goed werk, White.”

“Bedankt,” zei ze.

Harry strompelde naar voren, zijn maag vasthoudend. “Zijn we er absoluut zeker van dat ze met bonen geladen zijn?” Vroeg hij.

“Dat niet alleen, deze zijn van lage kwaliteit,” zei de instructeur. ”De volgende keer zullen we rubberkogels gebruiken.”

“Geweldig,” gromde Harry.

Een paar mensen liepen de ruimte binnen terwijl de training in de Hogansteeg werd beëindigd. Het was Mackenzie’s derde trainingssessie in deze steeg, die een vervallen straat voorstelde en door de FBI intensief werd gebruikt voor de praktische training van Agenten.

Terwijl twee instructeurs bij Harry stonden en hem vertelden wat hij verkeerd had gedaan en hoe hij had kunnen voorkomen dat hij werd neergeschoten, liep een andere instructeur richting Mackenzie. Zijn naam was Simon Lee, een oudere man die eruitzag alsof hij een zwaar leven achter de rug had..

“Geweldig werk, agent White, “ zei hij. “Die rol was zo verdomde snel dat ik hem amper zag. Maar ... het was wel een beetje ondoordacht. Als er meer dan één verdachte was geweest dan zou het totaal anders zijn afgelopen.”

“Ja mijnheer. Ik begrijp het.”

Lee glimlachte naar haar. “Dat weet ik,” zei hij. “Ik moet je vertellen dat ik op dit moment, halverwege je opleiding, zeer te spreken ben over je vooruitgang. Je zal een uitstekende Agent worden. Goed werk.”

“Dank u, mijnheer,” zei ze.

Lee nam afscheid en liep het gebouw door om met een andere instructeur te praten. Terwijl iedereen zijn eigen weg ging kwam Harry naar haar toe, zijn gezicht nog steeds een beetje in een grimas vertrokken.

“Goed gedaan,” zei hij. “Het doet maar half zo zeer wanneer de persoon die het goed doorstaan heeft uitzonderlijk mooi is.”

Ze rolde met haar ogen en stak haar Clock terug in haar holster. “Vleierij is nutteloos,” zei ze. “Vleierij, zoals men zegt, brengt je nergens.”

“Dat weet ik,” zei Harry. “Maar zou het me op zijn minst een drankje met jou kunnen opleveren?”

Ze grijnsde. “Als jij betaalt.”

“Ja, ik betaal,” ging hij akkoord. “Ik wil jou niet tegen me in het harnas hebben.”

Ze verlieten het gebouw en begaven zich weer de regen in. Nu de oefening voorbij was, was de regen bijna verfrissend. En terwijl de instructeurs en adviseurs bezig waren met de afronding van deze oefening, liet ze zichzelf eindelijk toe om trots op zichzelf te zijn.

Ze zat nu elf weken op de Academie en had het grootste gedeelte van haar verplichte vakken al doorlopen. Ze was er bijna … nog ongeveer negen weken te gaan en dan ze zou de opleiding hebben afgerond en potentieel veldagent voor de FBI zijn.

Ze vroeg zich plotseling af waarom ze zo lang had gewacht om Nebraska te verlaten. Toen Ellington haar had aanbevolen bij de Academie was dat in wezen haar gouden ticket geweest, de push die ze nodig had gehad om zichzelf uit te dagen, om afscheid te nemen van wat comfortabel en veilig was geweest. Ze had haar baan, vriend en appartement opgegeven ... en ze was een nieuw leven begonnen.

Ze dacht aan het platte, uitgestrekte land, de korenvelden en de open blauwe lucht die ze had achtergelaten. Alhoewel ze hun eigen specifieke schoonheid bezaten, was het in zekere zin een gevangenis voor haar geweest.

Nu lag dat allemaal achter haar.

Nu ze vrij was, was er niets meer om haar tegen te houden.

*

De rest van haar dag werd gevuld met fysieke training: push-ups, sprintjes trekken, crunches, nog meer sprintjes trekken en trainen met gewichten. Tijdens de eerste paar dagen op de Academie had ze een hekel gehad aan dit soort training. Maar toen haar lichaam en geest er eenmaal aan gewend waren geraakt, begon ze het zelfs verslavend te vinden.

Alles gebeurde met snelheid en precisie. Ze deed de vijftig push-ups zo snel dat ze zich pas na afloop, toen ze op weg was naar de modderige hindernisbaan, bewust werd van het brandende gevoel in haar bovenarmen.

Bij bijna alle vormen van fysieke activiteit had ze zichzelf aangepraat dat ze zich alleen voor de volle honderd procent zou hebben ingezet wanneer haar armen en benen trilden van inspanning en haar buikspieren voelden alsof ze uit elkaar getrokken werden.

Er waren zestig trainees in haar eenheid en zij was één van de slechts negen vrouwen. Het stoorde haar niet, waarschijnlijk omdat ze tijdens haar werk in Nebraska had geleerd om geen waarde te hechten aan het geslacht van de mensen met wie ze samenwerkte. Ze hield zich een beetje op de achtergrond en werkte naar beste vermogen, wat (en dat wilde ze best toegeven) een uitzonderlijk goed resultaat opleverde.

Toen de instructeur tijdens het laatste circuit van die dag (een route van twee kilometer bestaand uit modderige bospaden) had geroepen dat de oefening ten einde was, was de klas uiteen gegaan en ging ieder hun eigen weg. Mackenzie ging op één van de banken langs de kant van de baan zitten en strekte haar benen. Ze had geen andere plannen voor die dag en zat nog steeds vol adrenaline van haar succesvolle actie in de Hogansteeg, en ze besloot dat ze ter afsluiting nog een stuk zou gaan rennen.

Ze wilde het niet graag toegeven maar ze was één van die types geworden die het echt leuk vond om te rennen. Hoewel ze niet snel zou deelnemen aan een marathon met een thema, was ze de het initiatief gaan waarderen. Buiten de verplichte rondjes en hardloop-koersen in haar training maakte ze tijd vrij om op de beboste paden van de campus te rennen, die op zes kilometer afstand van het hoofdkantoor van de FBI en op ongeveer acht kilometer van haar nieuwe appartement in Quantico lagen.

Met haar sport tanktop doordrenkt van het zweet en een blos op haar gezicht sloot ze de dag af met een eindsprint rond de hindernisbaan waarbij ze de heuvels, omgevallen boomstammen en netten links liet liggen. Terwijl ze hiermee bezig was, zag ze twee mannen naar haar kijken, niet met lust in hun ogen maar meer met een soort ontzag en dat spoorde haar nog meer aan.

Hoewel ze, eerlijkheidshalve, een paar wellustige blikken hier en daar ook niet erg zou hebben gevonden. Dit nieuwe slanke lichaam waar ze zo hard voor gewerkt had verdiende het om te worden bewonderd. Het was vreemd dat ze zich zo comfortabel in haar vel voelde, maar ze begon het leuk te vinden. Ze wist dat Harry Dougan het ook leuk vond. Maar tot nu toe had hij nog niets gezegd. En zelfs als hij iets zou zeggen, Mackenzie wist nog niet hoe ze daarop zou reageren.

Nadat ze haar laatste run (iets minder dan twee kilometer) had uitgelopen nam ze een douche in de trainingsfaciliteit en op weg naar de uitgang nam ze een pak crackers uit de automaat. Ze had de rest van de dag nog tot haar beschikking; vier uur om te doen en laten wat ze wilde, voordat ze op de loopband in de sportschool wilde staan, een routine die ze had ontwikkeld en waardoor ze erin was geslaagd om iedereen een stap voor te blijven.

Wat te doen met de rest van haar dag? Misschien kon ze eindelijk uitpakken. Er stonden nog zes dozen in haar appartement die nog steeds dichtgeplakt waren. Dat zou een goed idee zijn. Maar ze vroeg zich ook af wat Harry die avond zou gaan doen. Zou hij zich houden aan de belofte om een drankje voor haar te kopen? Bedoelde hij vanavond of een andere keer?

En ze vroeg zich ook af wat Agent Ellington aan het doen zou zijn.

Zij en Ellington hadden een paar keer bijna afgesproken maar het was er nooit van gekomen. En eigenlijk ook maar beter zo, dacht Mackenzie. Ze zou het helemaal niet erg vinden als ze nooit meer herinnerd zou hoeven worden aan wat er tussen hen beiden in Nebraska voorgevallen was en waar ze zich over schaamde.

Terwijl ze probeerde te beslissen wat ze met haar middag zou gaan doen liep ze naar haar auto. Toen ze de sleutel in het slot van het portier stak zag ze een bekend gezicht voorbij rennen. De jogger, een collega-agente in opleiding met de naam Colby Stinson, zag haar kijken en glimlachte. Ze sprintte zo snel naar de auto van Mackenzie dat Mackenzie even dacht dat Colby echt aan het rennen was, in plaats van aan het trainen.

“Hallo daar,” zei Colby. “Heeft de rest van de klas je in de steek gelaten?”

“Nee. Ik heb een extra rondje gelopen.”

“Nou, dat verbaasd me niks.”

“Wat bedoel je daarmee?” Vroeg Mackenzie. Colby en zij kenden elkaar redelijk goed, maar niet goed genoeg om te zeggen dat ze echt vrienden waren. Ze was er nooit zeker van of Colby grappig probeerde te zijn of haar probeerde uit te dagen.

“Dat je super gedreven bent en een beetje een overpresteerder,” zei Colby.

“Schuldig.”

“En wat is dit?” Vroeg Colby. Ze wees toen naar het pak crackers in de hand van Mackenzie. “Is dat lunch?”

“Ja, klopt,” zei ze. “Sneu, he?”

“Een beetje. Waarom gaan we niet iets halen? Ik heb wel zin in pizza.”

Mackenzie had ook best trek in pizza. Maar ze had geen zin om over koetjes en kalfjes te praten, vooral niet met een vrouw die de neiging had om te roddelen. Maar aan de andere kant besefte ze ook dat ze meer nodig had in haar leven dan alleen trainen, nog meer trainen en zich opsluiten in haar appartement.

“Ja, laten we dat doen,” zei Mackenzie.

Het was een kleine overwinning, om uit haar comfortzone stappen en te proberen om vrienden te maken op deze nieuwe plek, in dit nieuwe hoofdstuk van haar leven. En bij elke stap werd een nieuwe pagina omgedraaid, en ze moest eerlijk toegeven dat ze graag wilde beginnen met schrijven.

*

Toen Mackenzie en Colby die middag in Donnie's Pizza Place aankwamen zat de zaak maar voor de helft vol, de meeste mensen waren net klaar met hun lunch. Ze namen een tafel achterin en bestelden een pizza. Mackenzie ontspande zich en liet haar pijnlijke benen en armen rusten, maar kon er niet lang van genieten.

Colby ging naar voren zitten en zuchtte. “En, zullen we het over de olifant in de kamer hebben?”

“Is er een olifant?” Vroeg Mackenzie.

“Ja, die is er,” zei Colby. “Maar die is meestal helemaal in het zwart gekleed en goed gecamoufleerd.”

“Oké,” zei Mackenzie. “verklaar je nader. En vertel dan ook waarom je tot nu toe hebt gewacht om het te bespreken.”

“Iets wat ik je nooit heb verteld is dat ik vanaf de eerste dag dat je op de Academie verscheen al wist wie je was. Bijna iedereen wist het. Er werd veel gefluisterd. En daarom heb ik gewacht met het je te vertellen. Maar nu we dichter bij het einde van de opleiding komen weet ik niet hoe dit de dingen in de toekomst zal gaan beïnvloeden.“

“Wat wordt er gefluistert?” Vroeg Mackenzie, ze was er vrij zeker van dat ze al wist waar dit heen zou gaan.

“Nou, voor het grootste gedeelte gaan die over de Vogelverschrikker Moordenaar en de zachtmoedige kleine dame die hem wist op te pakken. Een kleine dame die in Nebraska zo’n goede detective was, dat de FBI is gaan informeren.”

“Dat is een nogal verheerlijkte versie ervan, maar ja ... ik herken die olifant. Je zei echter voor het grootste gedeelte. Zijn er nog andere delen?”

Colby zag er plotseling ongemakkelijk uit. Zenuwachtig bracht ze een lok van haar bruine haren achter haar oor. “Nou, er zijn geruchten. Ik heb gehoord dat een FBI-agent een rol heeft gespeeld om je hierheen te krijgen. En ... we bevinden ons in een door mannen gedomineerde omgeving. Je kunt je voorstellen welke geruchten er de ronde doen.”

Mackenzie rolde met haar ogen en merkte dat ze zich beschaamd voelde. Ze had zich altijd afgevraagd wat voor soort geruchten er over haar en Ellington circuleerden, de Agent die inderdaad een grote rol had gespeeld in het krijgen van een kans om op de Academie te komen.

“Sorry,” zei Colby. “Had ik het niet moeten zeggen?”

Mackenzie haalde haar schouders op. “Het is in orde. Ik denk dat we allemaal wel ons eigen verhaal hebben.”

Blijkbaar aanvoelend dat ze misschien toch teveel had gezegd, keek Colby naar de tafel en nipte nerveus van haar frisdrank. “Sorry,” zei ze zacht. “Ik dacht gewoon dat je het moest weten. Je bent de eerste echte vriendin die ik hier heb gemaakt, en ik wilde eerlijk tegen je zijn.”

“Idem,” zei Mackenzie.

”Is alles oké tussen ons?” Vroeg Colby.

“Ja. Hoe zit het met het opgooien van een ander onderwerp om over te praten?”

“Oh, dat is gemakkelijk,” zei Colby. “Vertel me over jou en Harry.”

“Harry Dougan?” Vroeg Mackenzie.

“Ja. De zogenaamde Agent die jou met zijn ogen lijkt uit te kleden iedere keer dat jullie samen in één ruimte zijn.”

“Er valt helemaal niets te vertellen,” zei Mackenzie.

Colby glimlachte en rolde met haar ogen. “Als jij het zegt.”

“Nee, echt niet. Hij is niet mijn type.”

“Misschien ben je ook niet zijn type,” merkte Colby op. “Misschien wil hij je gewoon naakt zien. Ik vraag me af ...wat voor type ben jij eigenlijk? Diep en psychologisch, wed ik.”

“Waarom zeg je dat?” Vroeg Mackenzie.

“Vanwege je interesses en de neiging om uit te blinken in profilerings cursussen en scenario's.”

“Ik denk dat dit een algemene misvatting is over iedereen die geïnteresseerd is in profilering,” zei Mackenzie. “Als je hiervan bewijs nodig hebt, kan ik minstens drie oudere mannen bij de Rijkspolitie van Nebraska aanwijzen.”

Daarna ging het gesprek over meer alledaagse dingen zoals hun lessen, de instructeurs, enzovoort. Maar al die tijd kookte Mackenzie van binnen. De geruchten die Colby had genoemd waren de exacte reden geweest waarom ze had besloten om zich gedeisd te houden. Ze had niet veel moeite gedaan om vrienden te maken, een beslissing die haar ook voldoende tijd had gegeven om haar appartement op orde te krijgen.

Natuurlijk was daar ook nog Ellington...de man die naar Nebraska was gekomen en haar wereld op zijn kop had gezet. De gedachte klonk als een cliché maar het was in wezen wel wat er gebeurd was. En het feit dat ze hem nog steeds niet uit haar hoofd had kunnen zetten was enigszins misselijkmakend.

Terwijl zij en Colby over koetjes en kalfjes praatten en hun lunch nuttigden, vroeg Mackenzie zich af wat Ellington aan het doen was. Ze vroeg zich ook af wat zij nu gedaan zou hebben als hij niet naar Nebraska was gekomen toen zij een poging deed om de Vogelverschrikker Moordenaar op te pakken. Het was geen prettig beeld: ze zou waarschijnlijk nog steeds over die pijnlijke rechte wegen rijden, een uitzicht dat bepaald zou zijn door lucht, velden en mais. En ze zou waarschijnlijk samenwerken met een chauvinistische lul die een jongere en meer koppige versie zou zijn van Porter, haar oude partner.

Ze miste Nebraska niet. Ze miste de routines van de baan die ze daar had gehad niet, en ze miste haar persoonlijke leven daar al helemaal niet. Wat ze wel miste, was de wetenschap dat ze ergens bij hoorde. Ze had daar bij de top van de mensen op haar afdeling behoort. Hier in Quantico was dat niet het geval. Ze had hier te maken met enorme concurrentie en ze moest hard werken om aan de top te blijven.

Gelukkig was ze klaar voor deze uitdaging en was ze blij dat ze het leven dat ze had gehad voor de arrestatie van de Vogelverschrikker Moordenaar achter zich had kunnen laten.

Kon ze nu ook nog maar voor elkaar krijgen dat de nachtmerries stopten.

Voordat hij ziet

Подняться наверх