Читать книгу Goethe: Een Levensbeschrijving - D'Oliveira Elias - Страница 12

EERSTE BOEK
VI

Оглавление

Mijn idealen groeien dagelijks in schoonheid en grootte… Ik laat mijn vader maar begaan; hij zoekt mij van dag tot dag meer in de burgerlijke zaken van onze gemeente te spinnen. Zoo lang mijn kracht nog in mij is, één ruk en de zevendubbele boeien zijn gebroken.

Wolfgang was – toen hij juist zijn eerste drama op papier had geworpen, de gedachten van zijn tijd en zijn eigen idealen met verbluffende phantasie had gekoppeld aan een gloeiend gekleurde ridderhistorie – niet in de beste stemming om zich tot stipt, spitsvondig, zakelijk pleitbezorger te bekwamen. Dit lag ook niet in zijn bedoeling, maar hij gunde zijn vader bereidwillig de illuzie.

Doch de toestanden, die hij aan het opperste Duitsche gerechtshof leerde kennen, verijdelden zijn laatste brave voornemens ten aanzien van zijn broodwetenschap, verwoestten het laatste restje van zijn eerbied voor hooge staatscolleges. Ongeveer zestienduizend processen wachtten te Wetzlar op berechting, sommige reeds honderd jaar en langer. Men kon er jaarlijks wel zestig afdoen, doch er kwamen veel meer bij. Wie binnen een eeuw beslissing in zijn zaak wenschte uit te lokken, moest de raadsheeren door prijzige geschenken beïnvloeden of een bevriend autoriteit te hulp roepen. Er hing een zoo bedorven geestes-atmosfeer in de zalen van dezen Hoogen Raad, dat een na lang aarzelen benoemde commissie van onderzoek, die begonnen was met drie rechters, wegens gebleken omkoopbaarheid, achter slot en grendel te zetten, ten slotte zelf werd aangestoken en uittertreure mee knoeide. Geen verstandig rechtsgeleerde dan ook die het van zich kon verkrijgen, in den warwinkel te Wetzlar zijn energie te gaan verspillen. En zeker niet de enthousiaste, dat is: van Goden vervulde Wolfgang, die van zijn prilste jeugd af streefde naar zelfontwikkeling. Zijn Götz werd een revolutionair pamflet door de minachting voor de publieke rechtspraak, die er in is neergelegd. Zoo sloot het stuk zich aan bij de tijdsstrooming, die vorsten en overheidspersonen gaarne als boeven op het tooneel zag.

Hij maakte het zich dan ook niet druk in zijn ambtsbediening.

Door "het jaargetijde der jeugd", de heerlijke lente, liet hij zich gaarne uit zijn bureel lokken of uit de zonlooze straat waar hij kamers had. In den omtrek van Wetzlar, in het mooie Lahndal, ontdekte hij allerlei plekjes die hem lievelingsplekjes werden; Homeros zong er zijn vurig gemoed te ruste en hij verdiepte er zich in de aanschouwing van de kleine natuur: van de plechtige mossen, van de wriemelende wormpjes en insecten; totdat de behoefte aan overgaaf in hem heerschte en hij wenschte een meikever te zijn om heen end weer te kunnen zweven in de goede geuren: totdat de natuur geheel rustte in zijn ziel, zooals de gestalte eener bruid… Uren bleef hij geboeid bij een bron, waar de dorpsmeisjes kwamen water putten; hij zag in die meisjes oud-testamentische koningsdochters en leende haar "zonder plichtplegingen" zijn sterken arm, om haar de volle emmers op het hoofd te beuren. Op het kerkplein van Garbenheim, geheel omsloten door donkertonige huisjes en schuren, boeiden hem een paar oeroude linden; dikwijls liet hij zich uit de nabijzijnde herberg stoel en tafel brengen en hij bracht er heele dagen door met teekenen, mijmeren en lezen. Hij koutte met de eenvoudige natuurlijke dorpsmenschen, hij kookte zelf zijn potje, hij deelde zijn klontjes, zijn brood en zijn zure melk met de kinderen, die geregeld bij hem terug kwamen, en iedere week hun Zondagscenten van hem kregen; was hij na kerktijd nog niet gekomen, dan had de waardin order tot uitbetalen. In zijn hart stonden de kinderen hem het naast: hij zag alle deugden en ondeugden – maar die nog onschuldig! – in hen kiemen, en begreep het gulden woord van den Heiland: Zoo gij niet wordt als een van dezen…

In het eethuis, waar "De Kroonprins" uithing, hadden enkele jonge ambtenaars en wat geduldige rechtzoekenden, om zich na hun Jobsarbeid wat te verstrooien, een riddergenootschap in middeleeuwschen trant gesticht. Bij het middagmaal zat de heirmeester aan het hoofd van de tafel: aan zijn rechterhand zetelde de kanselier en naast dien waren naar ancienneteit opgesteld de andere ridders, die namen droegen als Lubomirsky de Strijdbare, of St. Eustacius de Voorzichtige. Wolfgang werd met ridderslag en gewichtige potsierlijkheid in den kring toegelaten; hij heette er Gottfried von Berlichingen de Treffelijke. Een van de ridderen, Goué, heeft het groepje later in een tooneelstuk nageteekend. Ook de gezantschapssecretarissen Jerusalem en Kestner, wier invloed diep door Goethes leven zou grijpen, behoorden er toe, maar ze verschenen zelden, daar zij buitengewoon ernstig waren, en drukke bezigheden hadden.

Johann Christian Kestner was acht jaren ouder dan Wolfgang: een ijverig, verstandig man, edel van inborst en met steeds duidelijke bedoelingen, hoewel ietwat droog in het spreken. Hij maakte kennis met Doctor Goethe – in wien hij aanstonds een niet onbelangrijk persoon zag – terwijl deze onder een boom, op zijn rug uitgestrekt, goed geluimd met eenige omstanders babbelde over zwaarwichtige zaken. Spoedig genoeg begreep Kestner met wien hij in aanraking was gekomen. "Hij heeft – dus oordeelt hij met zijn gewone fijne nauwkeurigheid in een brief – hij heeft vele talenten, is een waar genie en een man van karakter. Hij bezit een buitengewoon levendige verbeeldingskracht, zoodat hij zich meestal in beelden en gelijkenissen uitdrukt. Hij pleegt zelf ook te zeggen dat hij zich altijd oneigenlijk uitdrukt en zich nooit eigenlijk kàn uitdrukken; maar als hij ouder wordt, hoopt hij de gedachten-zelf, gelijk ze zijn, te denken en te zeggen. Hij is in al zijn gemoedsaandoeningen hevig, doch heeft vaak veel zelfbeheersching. Zijn denkrichting is edel. Vrij van vooroordeelen, handelt hij al naar 't hem invalt, zonder er zich over te bekreunen, of dit anderen mishaagt, of het mode is, of de wellevendheid het gedoogt. Allen dwang haat hij. – Hij houdt van kinderen en kan druk met hen bezig zijn. Hij is bizar, heeft in zijne gedragingen, in zijn uiterlijk, allerlei dingen die hem onaangenaam zouden kunnen maken; maar bij kinderen, bij dames en vele anderen staat hij toch goed aangeschreven. Voor het vrouwelijk geslacht heeft hij zeer veel hoogachting… Over zekere onderwerpen spreekt hij met slechts weinig menschen uit, hij stoort anderen niet gaarne in de rust hunner voorstellingen. Toch haat hij het scepticisme, streeft hij naar waarheid en bepaaldheid in sommige hoofdzaken en gelooft dat hij over de voornaamste reeds een bepaalde meening heeft; voor zoover ik heb kunnen nagaan is dit niet zoo. Hij gaat niet naar de kerk ook niet naar het avondmaal en bidden doet hij zelden; want, zegt hij, daarvoor kan ik niet goed genoeg liegen. Soms is hij op zekere punten erg gerust, soms echter alles behalve dat. Voor de Christelijke religie – echter niet in den vorm waarin onze theologen ze ons voorstellen – heeft hij hoogachting. Hij gelooft in een toekomstig leven, in een beteren staat. Hij streeft naar waarheid, hij geeft echter meer om het gevoel dan om het betoog van de waarheid. Hij heeft reeds veel gewerkt, bezit veel kennis, belezenheid; maar toch nog meer gedacht en geraisonneerd." – Wel zelden werd een zoo treffende karakteristiek van een jeugdig tijdgenoot neergeschreven. Toch zag Kestner zich genoodzaakt, er in een kantteekening aan toe te voegen: "Ik wilde hem schilderen, maar het zou mij te ver voeren; want zeer veel laat zich over hem zeggen. Hij is, in éen woord, een zeer merkwaardig man."

Begin Juni moest Wolfgang met zijn twee nichten, die in zijn straat woonden, naar een landelijk bal; onderweg zou hij haar vriendin, Charlotte Buff afhalen, wier cavalier pas laatavond kon verschijnen. Hij trof dit 19-jarige blonde meisje aan, terwijl ze, subtiel gekapt, in witte baljapon, brood sneed voor een zwerm broertjes en zusjes. Haar leest was er niet minder sierlijk, de uitdrukking van haar blozend aangezicht was er niet minder vroolijk, haar gesprekken waren er niet minder interessant om, en haar blauwe kijkers niet minder spottend. In het rijtuig en bij den dans bemoeide Wolfgang zich slechts met haar; hij vernam hoe zij, sedert het overlijden van hare moeder, voor een zestal kinderen had te zorgen en hoe goed dit haar lukte. Hij schroefde zich, al bewonderend, tot een luidruchtige uitgelatenheid op, blijkbaar zeer ten genoege van… Kestner, haar inmiddels verschenen cavalier. Toen hij met haar had gewalst, nam hij zich heilig voor, liever te sterven dan te gedoogen dat ooit een meisje op wie hij eenige aanspraak mocht hebben met een vreemde walste… Lotte verzweeg Wolfgang dat zij reeds vier jaren met Kestner was verloofd: geen buitenstaander zou hebben vermoed dat deze twee een paar vormden. Ook Kestner sprak er niet van: hij wist dat zijn meisje haar aanbidders steeds stelde voor den tweesprong: Mijn vriend worden of uit mijn oogen! en hij had onbeperkt vertrouwen in haar.

Van de verloving hoorde Wolfgang eerst, toen hij bij de familie Buff vriend van den huize was geworden, toen Lotte's vader hem als een zoon beminde en de kinderen, met wie hij stoeide en smulde, hem een heerlijk kameraad achtten. Reeds was Lottchen in zijn oogen een schoonheid geworden, en terwijl hij, aan haar voeten zittend, de kleintjes over zijn knieën liet klauteren en boontjes voor haar sneed, terwijl hij vruchten voor haar plukte, in keuken of moestuin optrad als haar dienaar, liet hij zijn verliefdheid rustig ontbloeien. Hij bezocht haar vaker dan haar verloofde, die door drukke ambtsbezigheden werd teruggehouden; die wel bespeurde dat zij voor den mooien Goethe niet blind was, wèl zich afvroeg of hij – eenvoudig-braaf man – haar ooit zoo gelukkig zou kunnen maken als zijn begaafde vriend, maar te kiesch was om door eenig blijk van ongeduld Wolfgangs warme, doch onschuldige en poëtische liefde tot iets dubbelzinnigs te stempelen. De drie deden samen menig uitstapje, hielden menig ernstig gesprek. Steeds toonde Lotte zooveel tact, dat ze in de achting van de beide mannen steeg en ook in hunne liefde, – zoodat juist tengevolge van haar welbewuste reinheid de verhouding zich ging toespitsen.

Goethe, door een vriend gevraagd, waarop dat moet uitloopen, antwoordt dat hij stellig is besloten, het eerste oogenblik dat Lotte zich als een gewoon coquet meisje doet kennen, het eerste oogenblik dat haar nòg nader tot hem voere, het laatste moment van hun omgang te doen zijn. Maar – op haar vertrouwend – laat hij zijn phantasie onbedwongen om hun liefde spelen, vervult hij zijn brieven, zelfs zijn recensies, met toespelingen op hun liefde. Kestner spaart hem, maar hij gaat in stilte meenen, dat iemand van Goethes geestkracht en zielefierheid zich nu toch eindelijk moet terug trekken. En zoo kan hij kleine botsingen niet altijd verhoeden.

Goethe: Een Levensbeschrijving

Подняться наверх