Читать книгу Magie bij de Grieken en de Romeinen - K. H. E. de Jong - Страница 11

Het bovendrijvende ongeloof.

Оглавление

Inhoudsopgave

De tweede helft der vijfde eeuw vóór Christus is de tijd der "sophisten", die, Griekenland in alle richtingen doorkruisende, onderricht gaven in welsprekendheid en in practische levenswijsheid. Zij oefenden scherpe critiek op de van oudsher heerschende opvattingen en de eminentste van hen, Protagoras, trok zelfs het bestaan der goden in twijfel. Waarschijnlijk heeft de twijfel aan de realiteit der magie zich inzonderheid van hen uit in ruimeren kring verspreid.

Toch was het nog langen tijd veel meer de angst dan de twijfelzucht, die de houding van het groote publiek tegenover de magie bepaalde. Dit blijkt zonneklaar uit de beschouwingen dienaangaande van den dichterlijken denker, die voornamelijk door zijn stijl zulk eene bekoring op het nageslacht heeft uitgeoefend, dat hij ook nu nog door velen als de grootste Griek wordt beschouwd—Plato uit Athene (±427— ±347).

Plato toch geloofde niet alleen dat bij de graven wel eens "schaduwachtige verschijningen" van overledenen, die een te materiëel leven hadden geleid, gezien werden;[9] hij spreekt ook van eene "kunst der bezweringen", "die eene betoovering is van slangen, spinnen, schorpioenen en andere dieren en ziekten"[10] en van eene "zwarte" magie, zooals men nu zou zeggen, die zelfs gezondheid en leven bedreigt.

In zijn laatste werk "De wetten" heeft hij het o.m. over schade, door vergif of tooverij toegebracht (XI 932e-933e):

"Het feit dat er twee soorten van vergiftiging onder het menschelijk geslacht gebruikelijk zijn, maakt de uiteenzetting hieromtrent langdradig. De eene n.l. is die, welke op natuurlijke wijze door lichamelijke middelen den lichamen schade berokkent; de andere die, welke door middel van zekere tooverijen, bezweringen en boeiïngen, zooals men 't noemt, werkt en zoowel aan boosdoeners de overtuiging geeft, dat zij iets diergelijks vermogen, als aan anderen het geloof, dat zij in de ergste mate door diegenen, die vermogen te tooveren, schade lijden. Het is niet gemakelijk, er achter te komen, hoe het met deze en diergelijke dingen eigenlijk gesteld is, noch, als men er achter kwam, doenlijk, anderen daaromtrent op overtuigende wijze in te lichten. En ook is het een onbegonnen werk, menschen, die om diergelijke redenen argwaan tegen elkander koesteren, te willen voorlichten, en als ze bijgeval wassen beeldjes, 't zij bij hunne deuren, 't zij bij driesprongen, 't zij bij de grafmonumenten hunner ouders zien, hen aan te sporen, niets om al dat soort dingen te geven, daar ze toch geen duidelijk inzicht dienaangaande hebben. Wij maken de wet in kwestie tweeledig en gaan in de eerste plaats iemand—op welk van beide manieren hij ook trachte schade te berokkenen—verzoeken en aanraden niet te probeeren iets diergelijks te doen en niet het gros der menschen als kinderen schrik aan te jagen en bang te maken, noch ook den wetgever en rechter te noodzaken de menschen van diergelijke angsten te genezen, daar in de eerste plaats hij, die probeert in dier voege schade te berokkenen, niet weet wat hij doet, zoowel wat de lichamen betreft, als hij geen verstand heeft van geneeskunde, als wat de tooverijen betreft, wanneer hij geen wichelaar of teekenuitlegger is. De wet aangaande vergiftiging en tooverij luide aldus: Indien iemand door vergif een ander persoonlijk of diens slaven eene niet-doodelijke schade toebrengt, of zijn kudden of bijenkorven hetzij eenige andere hetzij doodelijke schade berokkent, moet hij, wanneer hij een geneesheer is en wegens gifmengerij wordt veroordeeld, met den dood worden gestraft; als hij echter een leek is, moet de rechtbank uitmaken, welke straf of boete hij dient te ondergaan. Als iemand echter den indruk maakt van door boeiïngen of aantrekkingen of zekere bezweringen of door welke hekserijen van dien aard ook, schade te hebben berokkend, moet hij, als hij een wichelaar of teekenuitlegger is, sterven, als hij echter zonder kennis van wichelarij wegens tooverschade wordt veroordeeld, moet ook aangaande hem de rechtbank schatten, welke straf of boete hem haars inziens moet worden opgelegd."

Hoogst kenschetsend is ook het volgende (X, 909a-c):

"Wie het bestaan van goden of hunne voorzienigheid loochenen of gelooven dat ze te verbidden zijn en voorts tot het dierlijke vervallen en, de menschen verachtende, velen van de levenden verleiden en beweren de gestorvenen op te roepen en belooven de goden over te halen, d.w.z. ze door offers en gebeden en bezweringen betooverende, en zoowel particulieren als geheele families en steden ter wille van 't geld probeeren te gronde te richten,—wie hieraan blijkt schuldig te zijn, dien veroordeele de rechtbank om, overeenkomstig de wet, in de gevangenis in 't binnenland te worden opgesloten en dat nooit eenig vrij persoon toegang tot hem hebbe en dat hij de voeding, hem door de mannen der wet bepaald, uit handen van slaven ontvange; als hij sterft, dan moet men hem buiten de grenzen werpen en hem de begrafenis ontzeggen. En als een vrije hem helpt begraven dan mag wie maar wil hem wegens goddeloosheid aanklagen."

Wie hier ook maar eenigszins objectief tegenover staat, zal moeten erkennen, dat zelfs "de goddelijke" Plato zich door bigotterie en staats-fanatisme op de treurigste wijze heeft laten verblinden. Het is toch al te naïef, een kwaadwillige vaderlijk te vermanen zijn evenmenschen vooral geen schrik aan te jagen, en te onzinnig, gevangenisstraf te eischen voor diegenen, die eene geheele stad trachten te gronde te richten, maar de doodstraf voor hen, die aan een bijenkorf eene niet-doodelijke schade toebrengen! Zeer zeker is het voor Plato eene verzachtende omstandigheid, dat hij niet de laatste hand aan dit werk heeft kunnen leggen, maar eene zware verantwoordelijkheid rust op hen, die zulk verward en verderfelijk geschrijf—men denke slechts aan de heksenprocessen—gedurfd hebben te publiceeren.

Van Aristoteles (384—322), den universeelen en tevens nuchteren man der wetenschap, werd, zooals wij in hoofdstuk V nader zullen zien, verzekerd, dat hij de realiteit der magie loochende, en dit stemt ook met hetgeen ons van hem is bewaard gebleven, goed overeen. Echter heeft hij in zijn geschrift "Over het voorspellen in den slaap" erkend, dat wij somtijds in onze droomen de toekomst vooruitzien en in c. 2 getracht, de meest raadselachtige gevallen aldus te verklaren:

"Evenals wanneer iets het water of de lucht in beweging brengt, het bewogen gedeelte weer een ander gedeelte in beweging brengt en wanneer dat tot rust is gekomen, het voorkomt dat zulk eene beweging tot een zeker einddoel voortgaat, hoewel hetgeen de beweging veroorzaakte niet meer aanwezig is, aldus is er niets tegen, dat zekere bewegingen en gewaarwordingen de droomende zielen bereiken...en hoe ze ook tot [ons] geraakt zijn, 's nachts meer waarneembaar zijn, doordat ze, wanneer zij zich over dag voortplanten, eerder opgelost worden (want de lucht is 's nachts minder in beroering omdat er dan meer windstilte heerscht) en in het lichaam tengevolge van den slaap eene gewaarwording veroorzaken, omdat de slapenden meer dan de wakenden ook de kleine inwendige bewegingen gewaar worden. Deze bewegingen veroorzaken voorstellingen, waaruit men de, toekomst aangaande de betrokken voorwerpen vooruitziet."

"Dat kennissen het meest de toekomst van kennissen vooruitzien, komt door het feit dat kennissen het meest over elkaar bezorgd zijn. Want evenals ze elkaar uit de verte zeer snel herkennen en gewaar worden, aldus worden ze ook de [bovenbedoelde] bewegingen snel gewaar, want de bewegingen, die van kennissen uitgaan, zijn gemakkelijker kenbaar".

Men heeft opgemerkt dat volgens deze ietwat duistere verklaring een zeker rapport tusschen kennissen zou bestaan en dat derhalve aan Aristoteles het geloof aan "telepathie", d.w.z. "gedachteoverbrenging" of juister de overbrenging van gedachtebeelden, indrukken, gevoelens buiten de gewone zintuigelijke kanalen om, niet vreemd zou zijn geweest. Van hoe groot belang dit voor ons onderwerp is, zal spoedig blijken.

De Atomisten, die de ziel verklaarden voor een aggregaat van stofdeeltjes dat zich tegelijk met de ontbinding van het lichaam zou oplossen, werden gewoonlijk mede onder hen gerekend, die de realiteit der magie loochenden. Echter trachtte Democritus (± 400 v. Chr.) de grootste der atomisten, het geloof aan het "booze oog", dat nu nog in de landen om de Middellandsche Zee sterk leeft, te rechtvaardigen door zijne leer der "Idolen", d.w.z. ijle beelden, die door de lucht zweven en verklaarde hij het alomverspreide geloof aan goden door de verschijningen van reusachtige en lang levende, schoon niet onsterfelijke "Idolen"[11]. Er waren dan ook willekeurige hypothesen en ingewikkelde redeneeringen noodig om te ontkomen aan consequenties, die tot de realiteit van geestverschijningen en tooverij voerden. Ja, Epicurus (341-270) die de atoomleer tot een ethisch systeem verwerkte en haar zulk eene groote populariteit deed erlangen, heeft, in zijn ijver voor de wilsvrijheid, de uitspraak gedaan: "Het ware beter zich aan de fabelleer over de goden te houden, dan slaaf te zijn van het noodlot der natuurkundigen, want de fabelleer geeft toch eenige hoop, de goden door eerbetooning te kunnen verbidden, maar het noodlot oefent een onverbiddelijken dwang uit[12]", een uitspraak, die met eene plat materialistische opvatting der dingen in onverzoenlijken strijd is.

De Cynici, d.w.z. Hondschen, aldus genoemd om hunne primitieve levenswijze, die vaak ook met goede zeden in botsing kwam, verstompten zich door hun hoofddogma van de zelfgenoegzaamheid der deugd den blik voor de fijnere verschijnselen van het zieleleven. De populairste vertegenwoordiger dier richting, Diogenes (tweede helft der vierde eeuw) verzekerde dat wij na den dood in 't geheel niets meer waarnemen[13], en dat hij, lettende op droomuitleggers, wichelaars en diegenen, die aan hunne woorden geloof slaan, niets zotters vond dan den mensch[14]. Geen wonder, dat de Cynici ook in latere eeuwen een verwoeden strijd voerden tegen alles wat naar magie en het soortgelijke zweemde.

De Sceptici eindelijk (sinds ongeveer 350 v. Chr.), die tengevolge van hun twijfel aan de juistheid van onze waarnemingen en redeneeringen ook de meest alledaagsche feiten op losse schroeven stelden, wilden van het wonderbaarlijke in 't geheel niets afweten; ook zij richtten hunne wapenen onvermoeid tegen de magie en hare voorvechters, waarbij zij zich o.m. niet ontzien hebben, een man als Pythagoras voor een bedrieger uit te maken[15].

De nuchtere, materialistische, van het ongewone afkeerige wijsgeeren voerden ruim twee eeuwen lang den boventoon, voornamelijk in de kringen der "intellectueelen." Het was een tijd van "verlichting."

Bij zulk eene mentaliteit tiert van alle litteratuur-genres de comedie het meest, die immers uitteraard vijandig staat tegenover het wonderbaarlijke.

Reeds Aristophanes (± 445 - ± 385), de beroemdste dichter der oud-Attische comedie, had herhaaldelijk den draak gestoken met de tooverkunst.

In zijn "Wolken" (423) neemt een oude boer, die diep in de schuld zit, zijn toevlucht tot Socrates en vraagt hem, hoe hij zich aan de uitbetaling van de renten zou kunnen onttrekken. Na lang praten raadt Socrates den boer aan, zich in te hullen en zelf iets uit te denken. De boer jammert, maar gehoorzaamt en roept v. 746 in eens uit:

Magie bij de Grieken en de Romeinen

Подняться наверх