Читать книгу Magie bij de Grieken en de Romeinen - K. H. E. de Jong - Страница 8

Het naïeve geloof.

Оглавление

Inhoudsopgave

De oudste en prachtigste gedenkstukken der Grieksche letterkunde, de heldendichten van Homerus (vóór de zevende eeuw) bevatten verscheidene episoden, waarin de magie onmiskenbaar op den voorgrond treedt.

In de Ilias, die den oorlog der Grieken tegen Troje verheerlijkt, lezen wij o.m. hoe Hera, de echtgenoote van den hoogsten god, Zeus, van Afrodite, de godin der schoonheid, den gordel leent, aan wien eene onweerstaanbare charme is verbonden, en Zeus zoodoende betoovert, teneinde hem te beletten, den Trojanen bijstand te verleenen (XIV, 153-351).

Veel sprekender is echter in dit opzicht de Odyssea, die de lotgevallen van koning Odysseus, een der Grieksche helden uit den Trojaanschen oorlog, bezingt.

Odysseus toch, de meest vindingrijke en meest volhardende van alle helden uit de classieke sagenwereld, raakt bij zijn avontuurlijken terugkeer uit Troje met zijn eenig overgebleven schip op een onbekend eiland verzeild, en stuurt de helft van zijne makkers op verkenning uit. Dezen bereiken het paleis van de toovenares Circe, wier liefelijk gezang tot hen doordringt en gaan, vriendelijk door haar uitgenoodigd, naar binnen, op één na, die uit wantrouwen achterblijft. En terecht, want Circe mengt onder het wijnmoes dat zij haren gasten voorzet booze kruiden, en verandert hen door aanraking met eene tooverroede in zwijnen. De eenige achtergeblevene makker, na tevergeefs te hebben gewacht, keert tot Odysseus terug en spoort hem aan, zoo spoedig mogelijk te vluchten. De held echter heeft daar geen ooren naar en gaat terstond geheel alleen er op uit om de verlorene makkers weer op te sporen. Onderweg ontmoet hem de god Hermes, de geleider van de zielen der overledenen, licht hem in, hoe hij het gevaar moet afwenden en verstrekt hem de geheimzinnige plant Moly als werkzaam tegenmiddel. Odysseus ledigt evenzeer den verraderlijken beker, maar weet zich ongemerkt van het tegengift te bedienen, en als Circe ook hem met de roede aanraakt, springt hij met getrokken zwaard op haar los, als om haar te dooden. Circe valt voor hem op de knieën, smeekt om genade, en biedt hem, als onderpand van trouw, haar liefde aan. Odysseus gaat daar echter niet eerder op in, voordat zij zich door een plechtigen eed gebonden heeft, geen arglist meer in 't werk te stellen. Op verzoek van den held, geeft Circe voorts aan zijne makkers de menschelijke gedaante terug, en de zwervelingen brengen nu een vol jaar op het toovereiland in vreugde en genietingen door.

Vóór hun vertrek echter gebiedt Circe Odysseus, zich naar 't doodenrijk te begeven en aldaar den ziener Tiresias omtrent zijn verderen terugkeer te raadplegen. Odysseus ziet daar zeer tegen op, maar Circe bemoedigt hem en geeft hem nadere inlichtingen over den tocht naar het doodenrijk en wat hij aldaar te verrichten heeft. De held vaart naar het doodenrijk, dat aan gene zijde der wereldzee ligt en gaat naar de plek, hem door Circe aangewezen. Daar graaft hij met zijn zwaard een kuil van eene el breedte en lengte, brengt daaromheen een plengoffer voor alle dooden, eerst van honig met melk gemengd, vervolgens van wijn, daarna van water en strooit er ten slotte wit meel op. Hij belooft aan de "wezenlooze hoofden der dooden" na zijn terugkeer naar Ithaca, zijn vaderland, eene allervoortreffelijkste koe te offeren, en een brandstapel met heerlijke gaven overladen te ontsteken, maar ter eere van Tiresias afzonderlijk een geheel zwarten ram, uitmuntende onder de anderen, te slachten. Hierna keelt hij een mannelijk en een vrouwelijk schaap, zoodat het bloed in den kuil vloeit en beveelt zijn makkers ze te villen en te verbranden, onder een gebed tot de goden van het doodenrijk, Hades en diens gade, Persephoneia. De dooden komen op, maar Odysseus posteert zich, altijd naar de voorschriften van Circe, met getrokken zwaard naast de groeve en laat geen der overledenen, zelfs zijne eigen moeder niet, het bloed naderen, alvorens Tiresias te hebben geraadpleegd. Tiresias, kenbaar aan zijn gouden staf, nadert, drinkt van het bloed en voorspelt aan Odysseus wat hem op zijn terugkeer en na zijn thuiskomst wacht. Odysseus laat vervolgens zijne moeder en ook andere overledenen van het bloed drinken en onderhoudt zich met hen[1].

Deze verhalen, hoe mythisch ook, zijn toch voor de magie der Grieken en Romeinen, of liever voor de magie van alle volkeren in de hoogste mate kenschetsend. Wij zien onwillekeurig welk een nauw verband er is tusschen tooverij en zinnelijke liefde. Wij leeren, dat de magie zelfs den toegang tot het doodenrijk vermag te ontsluiten. Voorts blijkt bij de doodenbezwering het hoofddoel te zijn, zich omtrent het heden en de toekomst nader te laten inlichten; vandaar dan ook de uitdrukking "necyomantie" of de meer gebruikelijke "necromantie", d.w.z. "doodenwichelarij".

In de geschiedenis is herhaaldelijk sprake van doodenbezweerders en doodenorakelen. Wij zullen hier enkele treffende gevallen vermelden, waarbij men zich tot genoemde bezweerders of instellingen wendde, ten einde den toorn van overledenen te verzoenen of bijzonderheden te weten te komen die aan de "levenden" onbekend waren.

De lierdichter Archilochus, vaak in één adem met Homerus genoemd, was, omstreeks 640 v. Chr., gesneuveld. Calondas die hem had neergeveld, wilde het orakel van Delphi raadplegen, maar de Pythia (profetes) verdreef hem, naar algemeen verzekerd werd, met de woorden:

"Weg uit den tempel met U, die gedood hebt den dienaar der Muzen!"

Toen hij daarop zich verontschuldigde als in noodweer te hebben gehandeld en wenschte dat hij maar liever zelf was omgekomen, werd hem geboden, zich naar het doodenorakel te Taenarum (in het Zuiden van de Peloponnesus) te begeven en de ziel van den dichter door smeekbeden en plengoffers te verzoenen. Calondas voldeed hieraan en werd toen tot Delphi toegelaten[2].

Melissa, de echtgenoote van Periander, tyran van Corinthe (omstreeks 600 v. Chr.) had van een vreemdeling een deposito ontvangen. Toen Periander, na haar dood, dit nergens vermocht te vinden, liet hij door middel van het vermaarde doodenorakel der Thesprotiërs (in Epirus) de overledene vragen, hem de plaats, waar het deposito verborgen was aan te wijzen. Zij weigerde echter zulks te doen en verzekerde, koude te lijden daar zij geen baat had van de kleeren die met haar wel begraven maar niet verbrand waren; tevens voegde zij er een identiteitsbewijs bij van zeer intiemen aard. De tiran, overtuigd dat hij inderdaad met zijne overledene vrouw te doen had, liet terstond de Corinthische vrouwen van hare gewaden berooven en deze in een kuil verbranden, waarop de schim van Melissa, voor de tweede keer opgeroepen, de plaats van het deposito aanwees. Het verhaal hieromtrent is bij Herodotus, den "vader der geschiedenis", te vinden (V, 92).

Ter loops zij hier opgemerkt, dat het een zeer oud en wijd verspreid gebruik is, om ter eere van overledenen kleedingstukken te verbranden. Reeds bij Homerus verzekert Andromache, de weduwe van den gesneuvelden Trojaanschen held Hector, zijne fijne gewaden als eerbetoon in 't vuur te zullen werpen (Ilias XXII, 510-514). Te Athene zoowel als te Rome was het verboden, meer dan drie gewaden te gelijk met den doode aan de vlammen prijs te geven. En nog in onzen tijd verbranden Joodsche pelgrims in een zeker dorp van Galilea op een bepaalden dag van 't jaar shawls en zakdoeken ter eere van overledene Rabbis.

Van Pausanias, sinds 480 voogd van een minderjarigen Spartaanschen koning, wordt bericht dat hij, tijdens zijn verblijf te Byzantium eene jonkvrouw, genaamd Cleonice, had willen verleiden en haar bij vergissing had gedood. Sindsdien werd hij onophoudelijk gekweld door de schim der verslagene, die hem in den droom verscheen en hem dreigend toeriep:

"Ga uwe straf tegemoet! Baldadigheid voert ten verderve!"

Hij nam, ten einde raad, tot het doodenorakel te Heraklea (in Klein-Azië aan de Zwarte Zee) zijne toevlucht, liet door allerlei ceremoniën en plengoffers de ziel van Cleonice bezweren en trachtte haar toorn te verbidden. Zij verscheen en zeide dat hij, te Sparta aangekomen, spoedig van zijne ellende bevrijd zou zijn, zinspelende, naar het schijnt, op het einde dat hem wachtte. Inderdaad werd Pausanias van verraad overtuigd en vluchtte hij, om de inhechtenisneming te ontgaan, naar een tempel, waarin men hem echter inmetselde en aan den hongerdood prijsgaf[3]. De Spartanen werden daarna eveneens door schrikwekkende verschijningen verontrust en daar het orakel hun gelastte de ziel van Pausanias te verzoenen, ontboden zij "psychagogen", d.w.z. doodenbezweerders, uit Italië, die een offer brachten en het schimbeeld uit het heiligdom verdreven[4].

Aangaande de liefdestooverij zij opgemerkt, dat men daarbij, zooals allereerst eene zinspeling van Pindarus, den verhevensten Griekschen lierdichter (eerste helft der vijfde eeuw) aanduidt[5], o.m. een vogel uit de familie der spechten, den draaihals (gr. iynx) op een rad (of schijf) bond en in eene zekere richting ronddraaide. Wij zullen in hoofdstuk II er een hoogst interessant voorbeeld van aanhalen.

Het spreekt vanzelf dat de magie zich niet bij de doodenbezwering en de opwekking of verdrijving van liefde beperkte, maar haren invloed op het geheele leven liet gelden. Door tooverij trachtte men ziekten te genezen—reeds de Odyssea (XIX, 457 vlg.) kent eene bezwering, die eene bloedende wond vermag te stelpen—, door tooverij een vijand te schaden, ja, zoo mogelijk, te dooden—waartoe men reeds vroeg van wassen beeldjes gebruik maakte—, door tooverij zelfs het weder en levenlooze wezens te beïnvloeden—zooals men van de Thessaalsche heksen vertelde, dat zij de maan van den hemel vermochten omlaag te trekken.

Aan de mythische figuur van den zanger Orpheus knoopte zich, ongeveer sinds het begin der zesde eeuw, eene geheele litteratuur vast, die in hooge mate een magisch karakter droeg. Orpheus zelf ging door voor een groot toovenaar. Orphische amuletten waren in omloop. De orphische tooverliederen riepen, naar het heette, gestorvenen weer in het leven terug, en bezielden levenlooze voorwerpen. Rondreizende profeten beweerden, door offers en allerlei andere ceremoniën, overeenkomstig de voorschriften van Orpheus, aan belanghebbenden de zaligheid in het hiernamaals te kunnen waarborgen.

Een historisch figuur daarentegen en wel uit de tweede helft der zesde eeuw v. Chr. is Pythagoras, de ascetische, aristocratisch gezinde, geheimzinnige hervormer, die ook als een magiër en wel voornamelijk een beoefenaar der doodenbezwering werd beschouwd. Aangaande zijn volgelingen waren soortgelijke geruchten—blijkbaar niet zonder reden—in omloop. De veelzijdige en geniale Siciliaan Empedocles (±495 - ±435), arts, staatsman, dichter, wijsgeer, wiens leeringen soms aan de evolutie-theorie doen denken, had eveneens de faam van wonderdoener, hetgeen zeer zeker niet in tegenspraak is met het volgende fragment waarschijnlijk uit zijn leerdicht "De natuur"[6]:

"Alle kruiden die er groeien om ziekten en ouderdom af te weren, zult gij leeren kennen, daar ik U alleen dit alles wil toevertrouwen. Gij zult het geweld der onvermoeide winden tot staan brengen, die zich tegen de aarde verheffen en met hun ademtocht de bouwlanden vernielen en omgekeerd zult gij, als gij het wilt, tot herstel van het evenwicht, de winden er bij roepen; gij zult eene donkere regenbui op tijd voor de menschen in droogte doen verkeeren; gij zult ook de zomerdroogte in stroomen herscheppen, die den groei der boomen bevorderen....gij zult uit de onderwereld de kracht van een gestorven man weer terugroepen."

Van de magie bij de oudste Romeinen weten wij slechts zeer weinig. Volgens latere berichten zou Numa Pompilius, de tweede, overigens legendaire koning van Rome, zich er op hebben toegelegd om, door middel van tooverij, de gestalten der goden in het weerspiegelende water te aanschouwen (hydromantie, d.i. waterwichelarij)[7] en zou zijn evenzeer legendaire opvolger, Tullus Hostilius, door een geheim offer Juppiter, den hoogsten god, getracht hebben op te roepen, maar wegens het niet in acht nemen van den juisten ritus door den vertoornden god met den bliksem zijn getroffen[8]. Zeker is het, dat de zoogenaamde wet der twaalf tafelen (ongeveer uit het midden der vijfde eeuw) dengene met straf bedreigde, die het veldgewas had betooverd of eene booze bezwering had uitgesproken.

Vatten wij de uitkomsten van ons onderzoek over de magie in de vroegste eeuwen der klassieke oudheid samen, dan valt te constateeren dat zij blijkbaar van meet af aan in Griekenland en Italië inheemsch was, dat zij wel is waar veelal angstvallig geschuwd en soms van rechtswege gestraft, maar ook in noodgevallen zelfs door regeeringen te hulp geroepen werd en dat, naar alle waarschijnlijkheid, slechts enkelen,—bijv. zeer zeker de pantheïst Xenophanes uit de zesde eeuw—hare realiteit in vollen ernst betwijfelden of ontkenden.

Magie bij de Grieken en de Romeinen

Подняться наверх