Читать книгу De Zwaarte van Eer - Морган Райс, Morgan Rice - Страница 13

HOOFDSTUK ÉÉN

Оглавление

Theos dook naar beneden, gevuld met een woede die hij niet langer kon bedwingen. Het kon hem niets meer schelen wat zijn doelwit was—hij zou het hele menselijk ras, heel Escalon, laten boeten voor het verlies van zijn ei. Hij zou de wereld verwoesten tot hij vond wat hij zocht.

Theos werd verscheurd door de ironie van de situatie. Hij was zijn thuisland ontvlucht om zijn ei te beschermen, om zijn kind te beschermen tegen de andere draken die zich bedreigd voelden door zijn nakomeling, door de voorspelling dat zijn zoon de Meester van Alle Draken zou worden. Ze wilden hem allemaal doden, en dat kon Theos niet toestaan. Hij had tegen de andere draken gevochten, had een ernstige wond opgelopen in de strijd, en was gewond over de vele grote zeeën gevlogen, tot hij hier terecht was gekomen, op dit eiland met mensen, een plek waar de andere draken hem nooit zouden vinden. Allemaal om zijn ei te beschermen.

Maar toen Theos was geland en zijn ei op de bosgrond had gelegd, was hij kwetsbaar geweest. Hij had er voor geboet. De Pandesiaanse soldaten hadden hem verwond, en hij was zijn ei uit het zicht verloren toen hij was gevlucht. Zijn leven was gespaard dankzij dat mens, Kyra. Op die verwarrende avond, te midden van de sneeuwstorm, had hij zijn ei niet meer terug kunnen vinden. Het lag ergens begraven in de sneeuw. Hij was steeds weer terug gekeerd om te zoeken. Het was een fout waarvoor hij zichzelf haatte, een fout waar hij het hele menselijk ras de schuld van gaf, en waarvoor hij nooit, nooit zou vergeven.

Theos dook sneller, opende zijn kaken en brulde van woede. Het gebrul deed de bomen trillen. Hij spuwde een stroom van vlammen uit, zo heet dat zelfs hij ervan moest terugdeinzen. Het was een enorme stroom, krachtig genoeg om een hele stad van de aardbodem te vagen. De vlammen regenden neer op zijn lukrake doelwit: een klein plattelandsdorpje dat het ongeluk had op zijn pad te liggen. Beneden zag hij enkele honderden mensen, verspreid over boerderijen en wijngaarden, zich niet bewust van de dood die op het punt stond hen te begroeten.

Ze keken op, en hun gezichten verstijfden van schrik terwijl de vlammen op hen neerregenden—maar het was al te laat. Ze gilden het uit en renden voor hun levens, maar de wolk van vlammen haalde hen al snel in. De vlammen spaarden niemand—mannen, vrouwen, kinderen, boeren, krijgers, iedereen die vluchtte, en iedereen die bleef staan. Theos klapperde met zijn enorme vleugels en brandde alles af. Hun huizen, hun wapens, hun vee, hun bezittingen. Ze zouden allemaal boeten.

Toen Theos eindelijk weer omhoog vloog, was er niets meer over. Waar ooit het dorp had gestaan, laaide nu een enorme vuurzee, vuur dat het spoedig in as zou veranderen. Passend, dacht Theos: mensen waren uit de as gerezen, en ze zouden tot as terugkeren.

Theos vertraagde niet. Hij bleef doorvliegen, laag bij de grond, en hakte brullend in op bomen. Hij vloog dwars door de boomtoppen heen, nog altijd vuur spuwend. Hij liet een enorm vlammenspoor achter, als een litteken dat over het land liep, een weg van vuur, zodat Escalon zich hem altijd zo herinneren. Hij zette grote delen van het Doornwoud in vuur en vlam, wetende dat het duizenden jaren zou duren voor het weer terug was gegroeid, wetend dat hij zijn spoor hier had achtergelaten. Het gaf hem een bevredigend gevoel.

Hij besefte dat de vlammen wellicht zijn eigen ei zouden verbranden. Maar hij kon zichzelf, overspoeld door woede en frustratie, niet bedwingen.

Terwijl hij vloog, veranderde het landschap onder hem. Bossen en vlaktes maakten plaats voor stenen gebouwen, en Theos zag dat hij over een uitgestrekt garnizoen vloog, met duizenden soldaten in blauwe en gele wapenrustingen. Pandesianen. De soldaten keken vol paniek en bewondering naar de hemel. De slimme onder hen sloegen op de vlucht; de dapperen bleven staan en wierpen speren naar hem.

Theos spuwde vuur en verbrandde de wapens in de lucht, waarna ze in hoopjes as op de aarde neerregenden. Zijn vlammen stroomden naar beneden tot ze de vluchtende soldaten bereikten en hen levend verbrandden, gevangen in hun glimmende metalen wapenrustingen. Spoedig, wist Theos, zouden al die metalen wapenrustingen niets meer zijn dan roestende hulzen op de grond, een macabere herinnering aan zijn bezoek hier. Hij stopte niet tot hij alle soldaten levend had verbrand, en hij liet het fort achter als een grote vlammenketel.

Theos vloog door, naar het noorden, niet in staat om zichzelf te stoppen. Het landschap veranderde en veranderde, en hij vertraagde niet, zelfs niet toen hij iets vreemds zag: daar, ver beneden hem, verscheen een enorm wezen, een reus, uit een tunnel in de grond. Het was een wezen zoals Theos nog nooit had gezien, een machtig wezen. Maar Theos voelde geen angst; in tegendeel. Hij voelde woede. Woede omdat het wezen zich op zijn pad bevond.

Het beest keek op, en zijn groteske gezicht betrok van angst terwijl Theos naar beneden dook. Het beest draaide zich om en vluchtte, terug naar zijn hol—maar Theos liet het niet zo makkelijk gaan. Als hij zijn kind niet kon vinden, zou hen allemaal vernietigen, mens en meest. En hij zou niet stoppen tot alles en iedereen in Escalon van de aardbodem was weggevaagd.

De Zwaarte van Eer

Подняться наверх