Читать книгу De Zwaarte van Eer - Морган Райс, Morgan Rice - Страница 19
HOOFDSTUK ZEVEN
ОглавлениеAlec keek verdwaasd op terwijl hij onder de gewelfde poorten van Ur doorliep en er aan alle kanten mensen om hem heen drongen. Hij liep door, Marco naast hem. Hun gezichten waren nog besmeurd met vuil van hun eindeloze trek over de Doornvlakte. Hij staarde naar de marmeren poort, die wel dertig meter hoog moest zijn. De poort werd aan weerszijden omgeven door eeuwenoude granieten tempelmuren. Hij liep door een tunnel in de tempel, die ook als entree naar de stad fungeerde. Alec zag vele aanbidders voor de muren knielen, een vreemde combinatie met alle commercie hier, en het deed hem nadenken. Hij had ooit eens tot de goden van Escalon gebeden—maar nu bad hij tot niemand. Wat voor god, dacht hij, zou zijn familie laten sterven? De enige god die hij nu kon dienen was de god van wraak—en hij was vastbesloten om hem met heel zijn hart te dienen.
Alec, overweldigd door alle prikkels om zich heen, zag onmiddellijk dat deze stad anders was dan alle steden waar hij ooit was geweest, compleet anders dan het kleine dorpje waar hij was opgegroeid. Voor het eerst sinds de dood van zijn familie voelde hij zichzelf weer een beetje tot leven komen. Deze plek was zo ontstellend, zo levendig, het was lastig om hier te komen en niet afgeleid te worden. Hij voelde een zekere doelbewustheid terwijl hij besefte dat er binnen deze poorten anderen waren zoals hij, vrienden van Marco, mensen die wraak wilden nemen op Pandesia. Hij bekeek alles verwonderd. Mensen in verschillende kleding, van allerlei verschillende rassen, haastten zich alle kanten op. Het was een echte kosmopolitische stad.
“Hou je hoofd laag,” siste Marco naar hem terwijl ze in de menigte opgingen.
Marco stootte hem aan.
“Daar.” Marco knikte naar een groep Pandesiaanse soldaten. “Ze controleren gezichten. Ik weet zeker dat ze naar ons op zoek zijn.”
Alec verstevigde reflexief zijn greep op zijn dolk, en Marco pakte hem stevig bij zijn pols.
“Niet hier, mijn vriend,” waarschuwde Marco. “Dit is geen plattelandsdorpje, maar een oorlogsstad. Dood twee Pandesianen bij de poort, en er zal een leger volgen.”
Marco staarde hem intens aan.
“Wil je er twee doden?” drong hij aan. “Of tweeduizend?”
Alec, die zich bewust was van de wijsheid in zijn woorden, liet zijn dolk los en riep al zijn wil op om zijn verlangen naar wraak te onderdrukken.
“Er komen nog genoeg kansen, mijn vriend,” zei Marco terwijl ze zich met gebogen hoofden door de menigte begaven. “Mijn vrienden zijn hier, en het verzet is sterk.”
Ze smolten samen met de menigte die door de poort liep, en Alec sloeg zijn ogen neer zodat de Pandesianen hem niet zouden spotten.
“Hee, jij!” blafte een Pandesiaan. Alec voelde zijn hart bonzen maar hield zijn blik op de grond gericht.
Ze renden zijn kant op, en hij sloot zijn vingers om zijn dolk. Maar ze hielden een jongen naast hem tegen. Ze grepen de jongen hardhandig bij zijn schouder en bekeken zijn gezicht. Alec haalde diep adem, opgelucht dat ze hem niet gezien hadden, en hij wist ongezien door de poort te glippen.
Eindelijk betraden ze het stadsplein, en terwijl Alec zijn capuchon naar achteren trok keek hij vol bewondering naar de stad. Daar, voor hem, strekte de architecturale pracht en drukte van Ur zich uit. De stad zelf leek te leven, te pulseren. Glimmend in de zon leek de stad echt te glinsteren. Eerst begreep Alec niet hoe dat kon, en toen besefte hij het ineens: het water. Overal was water. De stad was doorspekt met kanalen, blauw water dat glinsterde in de ochtendzon en hem het gevoel gaf alsof de stad één was met de zee. De kanalen waren gevuld met allerlei soorten vaartuigen—roeiboten, kano’s, zeilboten—zelfs zwarte oorlogsschepen met de gele en blauwe vlaggen van Pandesia. De kanalen werden begrensd door geplaveide straten, eeuwenoud steen, glad gesleten, die vergeven waren met duizenden mensen. Alec zag ridders, soldaten, burgers, handelaars, boeren, bedelaars, jongleurs, kooplui en vele andere mensen. Velen van hen droegen kleuren die hij nog nooit eerder had gezien, duidelijk bezoekers van de andere kant van de zee, die via Escalons internationale haven waren binnen gekomen. De verschillende schepen in het kanaal waren versierd met felle, vreemd gekleurde vlaggen en insignes, alsof de hele wereld op één plek samen was gekomen.
“De kliffen rondom Escalon zijn zo hoog dat ons land zo goed als ondoordringbaar is,” legde Marco uit. “Ur heeft het enige strand, de enige haven voor grote vaartuigen die willen aanmeren. Escalon heeft nog andere havens, maar die zijn minder toegankelijk. Dus als ze ons willen bezoeken, komen ze hier,” voegde hij gebarend naar de mensen en de schepen toe.
“Het is zowel iets positiefs als iets negatiefs,” vervolgde hij. “Het brengt ons handel en commercie uit alle vier de hoeken van het koninkrijk.”
“En het negatieve?” vroeg Alec terwijl Marco stopte om een stok met vlees te kopen.
“Het zorgt dat Ur kwetsbaar is voor een aanval vanaf zee,” antwoordde hij. “Het is een geschikte locatie voor een invasie.”
Alec bestudeerde vol bewondering de skyline, de torens, de hoge gebouwen. Hij had nog nooit zoiets gezien.
“En de torens?” vroeg hij terwijl hij op keek naar een serie hoge, vierkante torens die naar de zee gericht waren, bekroond met borstweringen.
“Die zijn gebouwd om de zee te bewaken,” antwoordde Marco. “Tegen invasies. Maar het heeft ons weinig geholpen met de overgave van de zwakke Koning.”
Alec dacht na.
“En als hij ons niet had overgegeven?” vroeg Alec. “Zou Ur een aanval vanaf zee kunnen weerstaan?”
Marco haalde zijn schouders op.
“Ik ben geen commandant,” zei hij. “Maar ik weet dat er manieren zijn. We zouden zeker piraten en plunderaars tegen kunnen houden. Een vloot is een ander verhaal. Maar in de duizend jaar dat Ur bestaat, is de stad nog nooit gevallen—en dat zegt wat.”
Vergezeld door het geluid van de krijsende zeemeeuwen boven hun hoofd en de luidende klokken in de verte vervolgden ze hun weg. Terwijl ze zich een weg door de menigte baanden en Alec voedsel rook, voelde hij zijn maag knorren. Zijn ogen werden groot terwijl ze langs rijen van volgestouwde kraampjes liepen. Hij zag exotische objecten en delicatessen die hij nog nooit eerder had gezien, en hij verwonderde zich over dit kosmopolitische stadsleven. Iedereen hier had haast, en de mensen liepen zo snel dat hij ze nauwelijks kon bekijken voor ze hem alweer voorbij waren. Het deed hem beseffen hoe klein het dorp was waar hij vandaan kwam.
Alecs blik viel op een koopman die de grootste rode vruchten verkocht die hij ooit had gezien, en hij reikte in zijn zak om er één te kopen—toen hij ineens een harde duw tegen zijn schouder voelde.
Hij draaide zich om en zag een grote, oudere man boven zich uit torenen. Hij had een zwarte, smerige baard en keek dreigend op hem neer. Hij had een buitenlands gezicht dat Alec niet herkende, en hij vloekte in een taal die Alec niet begreep. Tot zijn verrassing gaf de man Alec een duw, en hij vloog naar achteren, tegen één van de kraampjes aan.
“Dat is nergens voor nodig,” zei Marco, die naar voren stapte en de man wilde tegenhouden.
Maar Alec, die normaal gesproken passief was, werd overspoeld door een nieuwe woede. Het was een onbekend gevoel, een woede die al sinds de dood van zijn familie in hem smeulde, een woede die een uitlaatklep nodig had. Hij kon zichzelf niet meer in bedwang houden. Hij sprong overeind, dook naar voren, en met een kracht waarvan hij niet wist dat hij hem had, sloeg hij de man in zijn gezicht. De man vloog naar achteren en klapte tegen een ander kraampje aan.
Alec stond daar, verbijsterd dat hij de veel grotere man tegen de grond had geslagen. Ook Marco was met stomheid geslagen.
Er ontstond commotie op de markt terwijl de onnozele vrienden van de man hun kant op renden, terwijl een groep Pandesiaanse soldaten vanaf de andere kant van het plein naar hen toe kwam. Marco had paniek in zijn ogen, en Alec wist dat ze zich in een benarde situatie bevonden.
“Deze kant op!” drong Marco aan. Hij greep Alec vast en trok hem hardhandig met zich mee.
Terwijl de pummel overeind krabbelde en de Pandesianen dichterbij kwamen, renden Alec en Marco door de straten. Alec volgde zijn vriend terwijl hij zich een weg baande door de stad die hij zo goed kende. Hij nam kleine steegjes, dook tussen kraampjes door, maakte scherpe bochten. Alec had moeite om hem bij te houden. Maar toen hij een blik over zijn schouder wierp, zag hij de grote groep dichterbij komen. Hij wist dat ze dat gevecht niet zouden kunnen winnen.
“Hier!” riep Marco.
Alec zag Marco van de rand van het kanaal afspringen, en sprong zonder na te denken achter hem aan, in de veronderstelling dat hij in het water zou belanden.
Tot zijn verrassing hoorde hij echter geen plons, en hij kwam neer op een smalle stenen richel, die hij vanaf boven niet had gezien. Marco bonkte hijgend vier keer op een houten deur, die in de stenen wand onder de straat was gebouwd—en een seconde later ging de deur open. Alec en Marco werden de duisternis in getrokken, en de deur sloeg achter hen dicht. Alec ving nog net een glimp op van de mannen die naar de rand van het kanaal renden en zoekend om zich heen keken.
Alec bevond zich in een donker, ondergronds kanaal, en hij rende verbijsterd achter Marco aan terwijl het water tot aan zijn enkels opspatte. Ze gingen bocht na bocht om, en ineens verscheen er weer zonlicht.
Alec zag dat ze zich in een grote stenen ruimte bevonden, gelegen onder de straten. Het zonlicht viel door roosters hoog boven hen naar binnen. Hij keek om zich heen en zag dat hij omgeven werd door een aantal jongens van zijn leeftijd. Hun gezichten waren besmeurd met vuil, en ze glimlachten welwillend naar hem. Ze stopten, hijgend, en Marco glimlachte en begroette zijn vrienden.
“Marco,” zeiden ze terwijl ze hem omhelsden.
“Jun, Saro, Bagi,” antwoordde Marco.
Hij omhelsde hen één voor één, een grote grijns op zijn gezicht. Deze jongens waren duidelijk als broers voor hem. Ze waren allemaal ongeveer van hun leeftijd, net zo lang als Marco, met brede schouders, geharde gezichten, en de ogen van jongens die al hun hele leven op straat leefden. Het waren jongens die ongetwijfeld wisten hoe ze moesten overleven.
Marco trok Alec naar voren.
“Dit,” verkondigde hij, “is Alec. Hij is nu één van ons.”
Eén van ons. Dat beviel Alec wel. Het voelde goed om ergens bij te horen.
Ze pakten elkaar bij hun armen, en één van hen, de langste, Bagi, schudde grijnzend zijn hoofd.
“Dus jij bent degene die al die opwinding heeft veroorzaakt?” vroeg hij glimlachend.
Alec glimlachte schaapachtig terug.
“Die man duwde me,” zei Alec.
De anderen lachten.
“Een prima reden om je leven te riskeren,” antwoordde Saro oprecht.
“Je bent nu in de stad, plattelandsjongen,” merkte Jun hardvochtig op. Hij glimlachte niet. “We hadden allemaal dood kunnen zijn. Dat was dom. Hier geven mensen niets om je—ze duwen je—en nog veel erger. Hou je kop laag en kijk uit waar je loopt. Als iemand tegen je aanstoot, loop je weg, of je krijgt een dolk in je rug. Je hebt geluk gehad deze keer. Dit is Ur. Je weet nooit wie er oversteekt, en de mensen hier steken je om elke reden neer—en sommigen hebben niet eens een reden nodig.”
Zijn nieuwe vrienden draaiden zich om en vervolgden hun weg dieper de spelonkachtige tunnels in, en Alec haastte zich om hen bij te houden. Ze leken het hier, zelfs in de duisternis, te kennen als hun broekzak en navigeerden met het grootste gemak door de ondergrondse gangen. Het water droop en echode om hen heen. Ze waren hier duidelijk opgegroeid. Het zorgde dat Alex zich niet goed genoeg voelde. Hij was opgegroeid in Soli, en deze plek was zo werelds, en deze jongens waren zo thuis op straat. Ze hadden duidelijk dingen meegemaakt die Alec zich niet eens kon voorstellen. Het was een ruig groepje, dat zich al in de nodige onenigheden had bevonden. Boven alles leek het erop dat het echte overlevers waren.
Na door een paar stegen te zijn gelopen gingen de jongens een steile metalen ladder op, en ineens stond Alec weer op straat, in een ander deel van Ur, waar hij boven kwam in een andere drukke menigte. Alec keek om zich heen. Hij zag een groot stadsplein met een koperen fontein in het midden. Hij herkende het hier niet. Hij kon alle buurten in deze uitgestrekte stad nauwelijks bijhouden.
De jongens stopten voor een laag, anoniem stenen gebouw, gelijk aan de andere gebouwen, met een laag, schuin dak met rode dakpannen. Bagi klopte twee keer, en een moment later ging de verroestte deur open. Ze stroomden snel naar binnen, waarna de deur achter hen dichtsloeg.
Alec bevond zich in een schemerige kamer, alleen verlicht door het zonlicht dat door de hoge ramen naar binnen viel. Hij draaide zich om toen hij het geluid van hamers op aambeelden herkende, en keek geïnteresseerd om zich heen. Hij hoorde het gesis, zag de bekende stoomwolken, en hij voelde zich onmiddellijk thuis. Hij hoefde niet verder te kijken om te weten dat hij in een smederij was, en dat er mensen bezig waren met het maken van wapens. Zijn hart zwol van opwinding.
Ze werden benaderd door een lange, dunne man met een korte baard, een jaar of veertig misschien, zijn gezicht zwart van de roet. Hij veegde zijn handen aan zijn schort af. Hij knikte respectvol naar Marco’s vrienden, en zij knikten terug.
“Fervil,” zei Marco.
Fervil draaide zich om en toen hij Marco zag, lichtte zijn gezicht op. Hij stapte naar voren en omhelsde hem.
“Ik dacht dat je naar De Vlammen was,” zei hij.
Marco grijnsde terug.
“Niet meer,” antwoordde hij.
“Zijn jullie klaar om te werken?” voegde hij toe. Toen wierp hij een blik op Alec. “En wie hebben we hier?”
“Mijn vriend,” antwoordde Marco. “Alec. Een uitstekende smid. En hij wil dolgraag met ons mee vechten.”
“Is dat zo?” vroeg Fervil op sceptische toon.
Hij bekeek Alec van top tot teen, met een blik in zijn ogen alsof Alec waardeloos was.
“Dat betwijfel ik,” antwoordde hij, “als ik zo naar hem kijk. Hij ziet er afschuwelijk jong uit. Maar hij kan wel schroot verzamelen. Neem dit,” zei hij terwijl hij Alec een emmer vol metalen stukken overhandigde. “Je hoort het wel als ik iets anders van je nodig heb.”
Alec liep rood aan, verontwaardigd. Hij wist niet waarom deze man hem niet mocht—misschien voelde hij zich bedreigd. Het werd stil in de smederij, en hij voelde de andere jongens staren. Deze man herinnerde hem aan zijn vader, en dat maakte hem alleen maar kwader.
Hij was ziedend. Sinds de dood van zijn familie was hij niet langer bereid om iets te tolereren.
Terwijl de anderen op het punt stonden om weg te lopen, liet Alec de emmer met metaal luid kletterend op de stenen vloer vallen. De anderen draaiden zich om, verbijsterd, en het werd doodstil in de smederij, terwijl alle jongens stopten om naar de confrontatie te kijken.
“Scheer je weg uit mijn zaak!” gromde Fervil.
Alec negeerde hem; in plaats daarvan liep hij langs hem heen, naar de dichtstbijzijnde tafel. Hij pakte een lang zwaard op, hield hem recht voor zich uit en bestudeerde hem.
“Dit jouw handwerk?” vroeg Alec.
“En wie denk je wel niet dat je bent om mij vragen te stellen?” wilde Fervil weten.
“Is het jouw werk?” drong Marco aan.
“Dat is het,” antwoordde Fervil op defensieve toon.
Alec knikte.
“Het is troep,” concludeerde hij.
Iedereen in de ruimte snakte naar adem.
Fervil rechtte zijn rug en keek hem dreigend aan, ziedend van woede.
“Jullie kunnen nu vertrekken,” snauwde hij. “Jullie allemaal. Ik heb hier genoeg smeden.”
Alec hield vol.
“En ze zijn niets waard,” zei hij.
Fervil liep rood aan en deed dreigend een stap naar voren. Marco stak zijn hand tussen hen.
“We gaan wel,” zei Marco.
Ineens liet Alec de punt van het zwaard naar de grond zakken, tilde zijn voet op, en met één enkele trap brak hij het zwaard in tweeën.
De scherven vlogen alle kanten op.
“Is dat wat een goed zwaard zou moeten doen?” vroeg Alec met een wrange glimlach.
Fervil gaf een schreeuw en stormde op Alec af—en toen hij naderde, strekte Alec het puntige uiteinde van het gebroken mes voor zich uit. Fervil stopte abrupt.
De andere jongens trokken hun zwaarden en stormden naar voren om Fervil te verdedigen, terwijl Marco en zijn vrienden rondom Alec gingen staan. De jongens stonden daar, in een gespannen confrontatie.
“Wat doe je?” vroeg Marco aan Alec. “We vechten allemaal voor hetzelfde. Dit is gestoord.”
“En daarom kan ik ze niet met troep laten vechten,” antwoordde Alec.
Alec gooide het gebroken zwaard op de grond en trok langzaam een lang zwaard van zijn riem.
“Dit is mijn werk,” zei Alec luid. “Ik heb hem zelf gemaakt in mijn vaders smederij. Er is geen beter staaltje vakmanschap te vinden.”
Alec draaide ineens het zwaard, greep het mes, en hield hem, met het heft naar voren, uit voor Fervil.
Fervil keek omlaag in de gespannen stilte. Dit had hij duidelijk niet verwacht. Hij griste naar het heft, waardoor Alec weerloos was, en heel eventjes leek hij te overwegen om Alec ermee neer te steken.
Maar Alec bleef trots staan, onbevreesd.
Langzaam verzachtte Fervils gezicht. Hij besefte duidelijk dat Alec zichzelf weerloos had gemaakt, en hij leek hem met meer respect te bekijken. Hij keek naar beneden en bestudeerde het zwaard. Hij woog het in zijn hand en hield hem op tegen het licht. Uiteindelijk, na een lange tijd, keek hij Alec weer aan, onder de indruk.
“Jouw werk?” vroeg hij vol ongeloof.
Alec knikte.
“En ik kan er nog meer maken,” antwoordde hij.
Hij deed een stap naar voren en keek Fervil aan me een intense blik in zijn ogen.
“Ik wil Pandesianen doden,” antwoordde Alec. “En ik wil het doen met echte wapens.”
Er hing een lange, zware stilte in de ruimte, tot Fervil uiteindelijk langzaam zijn hoofd schudde en glimlachte.
Hij liet het zwaard zakken en strekte zijn arm uit, en Alec greep hem vast. Langzaam lieten de jongens hun wapens zakken.
“Ik denk,” zei Fervil met een brede grijns, “dat we wel een plekje voor je kunnen vinden.”