Читать книгу De Zwaarte van Eer - Морган Райс, Morgan Rice - Страница 18

HOOFDSTUK ZES

Оглавление

Duncan leidde zijn mannen terwijl ze door de maanverlichte nacht over de besneeuwde vlaktes van Escalon galoppeerden. De uren gleden voorbij terwijl ze richting Andros reden, dat ergens aan de horizon lag. De nachtelijke rit bracht herinneringen bij hem op van lang vervlogen tijden, van gevechten, van zijn tijd in Andros, van het dienen van de oude Koning; hij ging op in zijn eigen gedachten, en zijn herinneringen mengden zich met het heden, en fantasieën over de toekomst, tot hij niet meer wist wat echt was. Zoals gewoonlijk dwaalden zijn gedachten af naar zijn dochter.

Kyra. Waar ben je? vroeg hij zich af.

Duncan bad dat ze veilig was, dat het goed ging met haar training, en dat ze spoedig voorgoed herenigd zouden zijn. Zou ze Theos weer kunnen oproepen? vroeg hij zich af. Zo niet, dat wist hij niet hoe ze de oorlog konden winnen die ze was begonnen.

Het onophoudelijke geluid van de paarden en hun wapenrustingen vulde de nacht. Duncan voelde de kou nauwelijks. Zijn hart was warm door hun overwinning, door het groeiende leger achter hem, door de anticipatie. Eindelijk, na al die jaren, voelde hij het tij weer keren. Hij wist dat Andros zwaar bewaakt werd door een professioneel leger, dat ze zwaar in de minderheid zouden zijn, dat de hoofdstad versterkt zou zijn, en dat ze niet de mankracht hadden om de stad te bezetten. Hij wist dat hij onderweg was naar de strijd van zijn leven, de strijd die het lot van Escalon zou bepalen. Maar dat was de zwaarte van eer.

Duncan wist ook dat hij en zijn mannen een doel hadden, een verlangen—en bovenal, snelheid en de kracht van verrassing. De Pandesianen zouden nooit een aanval op de hoofdstad verwachten, niet door een onderdrukt volk, en zeker niet ’s nachts.

Eindelijk, terwijl de dag langzaam aanbrak, de hemel nog steeds gehuld in een blauwe waas, zag Duncan in de verte de bekende contouren van de hoofdstad opdoemen. Het was een uitzicht waarvan hij niet had gedacht dat hij het ooit nog zou aanschouwen—een uitzicht dat zijn hart sneller deed kloppen. Hij werd overspoeld door herinneringen aan de jaren dat hij hier had gewoond en de Koning en het land trouw had gediend. Hij herinnerde zich Escalon op het hoogtepunt van haar glorie, een trotse, vrije natie die onverslaanbaar had geleken.

Maar het bracht ook bittere herinneringen omhoog: het verraad van de zwakke Koning, zijn overgave van de hoofdstad en van Escalon. Hij herinnerde zich hoe hij en alle andere grote krijgsheren gedwongen waren geweest om in schaamte te vertrekken, allemaal verbannen naar hun eigen vestingen. Bij het zien van de majestueuze contouren van de stad voelde hij verlangen, nostalgie, angst en hoop, allemaal tegelijk. Dat waren de contouren die zijn leven hadden gevormd, de contouren van de mooiste stad in Escalon, de stad die al eeuwenlang werd geregeerd door koningen, en zich zo ver uitstrekte dat het lastig was om te zien waar ze eindigde. Duncan haalde diep adem. Hij zag de bekende borstweringen en koepels en torens die nog altijd in zijn geheugen gegrift stonden. Op een bepaalde manier was het net alsof hij thuis kwam—maar Duncan was niet langer de verslagen, trouwe commandant die hij ooit was geweest. Hij was nu sterker. Hij zou aan niemand verantwoording afleggen. En hij had een leger bij zich.

De stad werd nog steeds verlicht door fakkels, als overblijfselen van de nachtwacht, en begon de lange nacht van zich af te schudden, gehuld in de ochtendmist. Terwijl Duncan naderde, kwam er iets in het zicht dat zijn bloed deed koken: de blauwe en gele banners van Pandesia, die trots over de kantelen van Andros gedrapeerd waren. Het maakte hem misselijk—en het gaf hem een hernieuwde vastberadenheid.

Duncan liet zijn blik over de poorten glijden, en zijn hart zwol toen hij zag dat die alleen door een skeleton crew werden bewaakt. Hij haalde opgelucht adem. Als de Pandesianen hadden geweten dat ze kwamen, zouden de poorten door duizenden soldaten bewaakt worden—en dan zouden Duncan en zijn mannen geen schijn van kans maken. Maar de skeleton crew vertelde hem dat ze het niet wisten. De duizenden Pandesiaanse soldaten die hier gestationeerd waren sliepen waarschijnlijk nog. Duncan en zijn mannen waren gelukkig snel genoeg geweest om nog een kans te maken.

Dit element van verrassing, wist Duncan, zou hun enige voordeel zijn, het enige waardoor ze een kans hadden om de enorme hoofdstad te bezetten. De hoofdstad met haar vele kantelen, ontworpen om een leger buiten te houden. Dat—en Duncans bevoorrechte kennis van haar fortificaties en zwakke plekken. Gevechten, wist hij, waren wel met minder gewonnen. Duncan bestudeerde de ingang van de stad, en hij wist waar hij eerst moest aanvallen als ze een kans wilden hebben op de overwinning.

“Degene die de poorten bezet, heeft de macht over de hoofdstad!” schreeuwde Duncan naar Kavos en zijn andere commandanten. “Ze mogen niet dicht—we kunnen ze niet dicht laten gaan, ongeacht de prijs. Als ze de poorten sluiten, zijn we voorgoed buitengesloten. Ik zal een kleine strijdmacht met me meenemen en op volle snelheid op de poorten af rijden. Jullie,” zei hij, gebarend naar Kavos, Bramthos en Seavig, “leiden de rest van onze mannen naar de vestingen en beschermen onze flanken tegen de soldaten.”

Kavos schudde zijn hoofd.

“Met een kleine strijdmacht op die poorten af denderen is roekeloos,” schreeuwde hij. “Je zult omsingeld worden, en als ik aan het vechten ben in de vesting, kan ik je niet dekken. Het is zelfmoord.”

Duncan glimlachte.

“Dat is ook de reden dat ik mezelf deze taak heb toebedeeld.”

Duncan dreef zijn paard aan en reed voor de anderen uit, naar de poorten toe. Anvin, Arthfael en een tiental van zijn beste commandanten, mannen die Andros net zo goed kenden als hij, mannen waar hij zijn hele leven mee had gevochten, reden achter hem aan. Ze stormden op volle snelheid op de stadspoorten af, terwijl achter hen, zag Duncan vanuit zijn ooghoek, Kavos, Bramthos, Seavig en de rest van hun leger afbogen richting de Pandesiaanse vestingen.

Duncan, wiens hart hevig tekeer ging, wist dat ze de poorten moesten bereiken voor het te laat was. Hij bracht zijn hoofd naar beneden en spoorde zijn paard aan om sneller te gaan. Ze galoppeerden over het midden van de weg, over de Koningsbrug. De paardenhoeven roffelden over het hout, en Duncan voelde de opwinding van de strijd die naderde. Terwijl de zon opkwam, zag Duncan het geschrokken gezicht van de eerste Pandesiaan die hen in de gaten kreeg, een jonge soldaat die slaperig op wacht stond op de brug. Hij knipperde met zijn ogen, en zijn gezicht betrok van angst. Duncan verkleinde de afstand tussen hen, bereikte hem, bracht zijn zwaard naar beneden, en voor de jongen zijn schild op kon tillen had hij hem uitgeschakeld.

De strijd was begonnen.

Anvin, Arthfael en de anderen wierpen speren en haalden een half dozijn Pandesiaanse soldaten neer. Ze galoppeerden onverminderd door in de wetenschap dat hun leven op het spel stond. Ze stormden de brug over, recht op de wijd open poorten van Andros af.

Ze hadden nog een goede honderd meter te gaan. Duncan keek omhoog naar de legendarische gouden poorten van Andros, dertig meter hoog, drie meter dik. Hij wist dat zodra ze gesloten zouden worden, de stad ondoordringbaar zou zijn. Het zou professioneel bezettingsmaterieel vergen, dat hij niet had, en heel veel maanden—die hij ook niet had. Die poorten waren, ondanks eeuwen van aanvallen, nog nooit bezweken. Als hij ze niet op tijd zou bereiken, zou alles verloren zijn.

Er waren enkele tientallen Pandesiaanse soldaten die de poorten bewaakten. Ze waren slechts licht bewaakt, de mannen waren nog slaperig en niemand verwachtte een aanval. Duncan spoorde zijn paard aan om nog sneller te gaan. Zijn tijd was beperkt. Hij moest ze bereiken voor ze hem in de gaten kregen; hij had nog slechts één minuut nodig om zijn overleving te verzekeren.

Maar plotseling klonk er een luide hoorn, en Duncans hart viel toen hij, hoog op de borstweringen, een Pandesiaanse nachtwaker naar beneden zag staren. Hij blies op de waarschuwingshoorn, en toen nog eens, en nog eens. Het geluid echode tussen de stadsmuren door, en Duncans hart zonk toen hij wist dat het enige voordeel dat ze hadden gehad verloren was. Hij had de vijand onderschat.

De Pandesiaanse soldaten bij de poorten kwamen in actie. Ze stormden naar voren en zetten hun schouders tegen de poorten, zes man aan elke kant, en begonnen met alle macht te duwen. Tegelijkertijd begonnen vier andere soldaten aan de enorme zwendels te draaien, terwijl nog vier anderen aan kettingen trokken, twee aan elke kant. Met een luid gekraak begonnen de poorten te sluiten. Duncan keek vol wanhoop toe. Het voelde alsof ze zijn doodskist sloten.

“SNELLER!” spoorde hij zijn paard aan.

Ze gingen allemaal sneller rijden, één laatste, gestoorde sprint. Terwijl ze naderden, wierpen een aantal van zijn mannen, in een wanhopige poging, speren naar de mannen bij de poort—maar ze waren nog steeds te ver weg.

Duncan schopte zijn paard als nooit tevoren en reed roekeloos voor de anderen uit. Terwijl hij de dichtgaande poorten naderde, voelde hij ineens iets voorbij suizen. Hij besefte dat het een speer was. Hij keek op en zag de soldaten op de borstweringen ze naar beneden gooien. Duncan hoorde een schreeuw en zag één van zijn mannen, een dappere krijger waar hij jarenlang zij aan zij mee had gevochten, door een speer doorboord worden en achterwaarts van zijn paard af vliegen, dood.

Duncan ging harder en sloeg alle voorzichtigheid in de wind terwijl hij op de deuren af joeg. Hij was misschien nog twintig meter bij ze vandaan, en de deuren waren al bijna dicht. Hoe dan ook, zelfs als het zijn dood zou betekenen, hij kon dat niet laten gebeuren.

In een laatste zelfmoord charge gooide Duncan zichzelf van zijn paard en dook op de smaller wordende spleet tussen de deuren af. Hij haalde uit met zijn zwaard en slaagde erin om hem ertussen te klemmen, vlak voor ze zouden sluiten. Zijn zwaard boog—maar hij brak niet. Dat stuk staal, wist Duncan, was het enige dat die poorten ervan weerhield om voorgoed te sluiten, het enige dat de hoofdstad open hield, het enige dat Escalon kon redden.

De Pandesiaanse soldaten, die inmiddels doorhadden dat hun poorten niet verder dichtgingen, keken verbijsterd neer op Duncans zwaard. Ze stormden erop af, en Duncan wist dat hij hen moest tegenhouden, al zou het hem zijn leven kosten.

Nog steeds buiten adem van de val van zijn paard, zijn ribben pijnlijk, probeerde Duncan uit de weg van de eerste soldaat te rollen, maar hij was niet snel genoeg. Hij zag het opgeheven zwaard achter zich en zette zich schrap voor de dodelijke slag—toen de soldaat het ineens uitschreeuwde. Duncan hoorde gehinnik en draaide zich verward om. Hij zag zijn strijdpaard zijn vijand in zijn borst trappen, vlak voordat hij Duncan neer kon steken. De soldaat, wiens ribben braken, vloog naar achteren en landde bewusteloos op de grond. Duncan keek dankbaar op naar zijn paard en wist dat het dier alweer zijn leven had gered.

Nu hij de tijd had die hij nodig had, rolde Duncan overeind, trok zijn reserve zwaard en bereidde zich voor terwijl de groep soldaten op hem af stormde. De eerste soldaat haalde uit met zijn zwaard en Duncan blokkeerde hem boven zijn hoofd, draaide rond, en sloeg hem tegen de achterkant van zijn schouder, waardoor hij tegen de grond ging. Duncan stapte naar voren en stak de volgende soldaat in zijn maag voor hij iets kon uithalen, waarna hij over zijn vallende lichaam heen sprong en de volgende tegen zijn borst trapte, waardoor hij op zijn rug viel. Hij dook terwijl een andere soldaat naar hem uithaalde, draaide toen rond en stak hem in zijn rug.

Duncan, afgeleid door zijn aanvallers, draaide zich met een ruk om toen hij ineens beweging achter zich voelde. Hij zag dat een Pandesiaan op het punt stond zijn zwaard tussen de poorten uit te trekken. Er was geen tijd meer. Duncan draaide zich om, mikte, en gooide zijn zwaard. Het draaide rond en rond en boorde zich in de keel van de man, net voordat hij zijn lange zwaard kon pakken. Hij had de poort gered—maar nu was hij weerloos.

Duncan rende op de poort af, in de hoop de spleet te verbreden—maar op dat moment werd hij door een soldaat van achteren getackeld en tegen de grond gewerkt. Zijn rug was open en bloot, en Duncan wist dat hij in gevaar was. Hij kon niets meer doen terwijl de Pandesiaan achter hem een speer hief, op het punt om hem door zijn rug te boren.

Een schreeuw vulde de lucht, en Duncan zag vanuit zijn ooghoek Anvin naar voren stormen. Hij zwaaide met zijn strijdknots en raakte de soldaat op zijn pols, waardoor de speer uit zijn hand werd geslagen. Anvin sprong van zijn paard en gooide de man tegen de grond—op hetzelfde moment arriveerden Arthfael en de anderen, die de andere groep soldaten aanvielen.

Duncan zag dat de soldaten die de poorten hadden bewaakt dood waren. De poorten werden nog maar nauwelijks open gehouden door zijn zwaard. Vanuit zijn ooghoeken zag hij honderden Pandesiaanse soldaten de barakken uit stromen om tegen Kavos, Bramthos, Seavig en hun mannen te vechten. Hij wist dat ze weinig tijd hadden. Zelfs nu Kavos en zijn mannen hen bezig hielden, zouden er genoeg soldaten doorheen glippen en naar de poorten komen. Als Duncan de poorten niet snel overnam, waren al zijn mannen er geweest.

Duncan ontweek weer een speer die vanaf de borstweringen naar beneden werd gegooid. Hij griste een boog en pijl van een gesneuvelde soldaat weg, richtte op een Pandesiaan hoog op de borstweringen, die met een speer in zijn hand naar beneden keek. De jongen werd doorboord. Hij gilde en viel. Dat had hij duidelijk niet verwacht. Hij viel naar beneden en landde met een doffe klap naast Duncan, die uit de weg stapte. Duncan haalde veel genoegen uit zijn kill toen hij zag dat de jongen degene was die op de hoorn had geblazen.

“DE POORTEN!” schreeuwde Duncan naar zijn mannen terwijl ze de laatste overgebleven soldaten afmaakten.

Zijn mannen stegen af en renden naar hem toe om hem te helpen de massieve poorten open te trekken. Ze trokken met al hun macht—maar de poorten gaven nauwelijks mee. Er kwamen meer van zijn mannen bij, en terwijl ze allemaal samen trokken, begon er langzaam één in beweging te komen. Centimeter voor centimeter ging hij open, en al snel was er genoeg ruimte voor Duncan om zijn voet tussen de poorten te zetten.

Duncan duwde zijn schouders in de spleet, en duwde met al zijn macht, kreunend, zijn armen trillend. Ondanks de koude ochtend stroomde het zweet over zijn gezicht. Hij keek op en zag de vloedgolf van soldaten die de barakken uit stroomde. De meesten van hen gingen de strijd aan met Kavos, Bramthos en hun mannen, maar er waren er genoeg die hen uit de weg gingen en zijn kant op kwamen. Er sneed een gil door de ochtend, en Duncan zag één van zijn mannen, een goede commandant en trouwe man, tegen de grond gaan. Hij zag een speer uit zijn rug steken, en toen hij op keek zag hij dat de Pandesianen zich op werpafstand bevonden.

Meer Pandesianen begonnen speren naar hen te werpen, en Duncan zette zich schrap, beseffend dat ze niet op tijd door de poorten konden komen—toen hij ineens, tot zijn verrassing, de soldaten zag struikelen en voorover naar beneden zag vallen. Hij keek op en zag pijlen en zwaarden uit hun ruggen steken. Hij werd overspoeld door dankbaarheid toen hij Bramthos en Seavig met zo’n honderd man terug zag komen om hem te helpen.

Duncan verdubbelde zijn inspanningen en duwde met al zijn kracht terwijl Anvin en Arthfael zich bij hem voegden. Hij wist dat hij de spleet wijd genoeg moest zien te krijgen voor zijn mannen om er doorheen te gaan. Steeds meer van zijn mannen kwamen erbij. Ze zetten zich af tegen de besneeuwde grond en duwden. Duncan nam stap na stap, tot de poorten eindelijk half open waren.

Er klonk een victorieus geschreeuw achter hem, en toen Duncan zich omdraaide zag hij Bramthos en Seavig met hun honderd mannen naar voren rijden, de open poorten door. Ze gingen de hoofdstad binnen en sloegen alle voorzichtigheid in de wind.

Terwijl het nog steeds speren en pijlen regende, wist Duncan dat ze de borstweringen moesten bezetten. Die waren namelijk ook bewapend met katapulten, en die konden onbeperkte schade aanrichten. Hij keek op naar de kantelen en probeerde te bedenken wat de beste manier was om naar boven te komen, toen hij ineens weer geschreeuw hoorde en een grote strijdmacht van Pandesiaanse soldaten hun kant op zag komen.

Duncan ging dapper de strijd aan.

“MANNEN VAN ESCALON, WIE HEEFT ONZE KOSTBARE HOOFDSTAD BEZET!?” riep hij.

Zijn mannen schreeuwden hem toe en gingen achter hem aan terwijl Duncan zijn paard besteeg en hen naar de soldaten leidde om hen te begroeten.

Er volgde een luid gekletter van wapens. Het was soldaat tegen soldaat en paard tegen paard terwijl Duncan en zijn honderd mannen de honderd Pandesiaanse soldaten aanvielen. Duncan voelde dat de Pandesianen overrompeld waren deze vroege ochtend. Ze hadden bloed in het water geroken toen ze Duncan en zijn paar mannen hadden gespot—maar ze hadden niet gerekend op het grote aantal versterkingen dat achter Duncan aan kwam. Hij kon hun ogen groot zien worden toen ze zagen hoe Bramthos, Seavig en hun mannen door de stadspoorten stroomden.

Duncan hief zijn zwaard en blokkeerde een aanval. Hij stak een soldaat in zijn maag, draaide om zijn as en beukte een ander tegen zijn hoofd met zijn schild. Toen greep hij een speer uit zijn harnas en wierp hem naar een ander. Hij baande zich onbevreesd een weg door de menigte en doodde links en rechts mannen, terwijl Anvin, Arthfael, Bramthos, Seavig en hun mannen hetzelfde deden. Het voelde goed om weer binnen de muren van de hoofdstad te zijn, in deze straten die hij zo goed kende—en het voelde zelfs nog beter om ze van Pandesianen te ontdoen.

Al snel stapelden de levenloze lichamen van de Pandesianen zich op. Ze waren niet in staat om het tij van Duncan en zijn mannen, die als een vloedgolf door de hoofdstad stroomden, te doen keren. Er stond teveel op het spel voor Duncan en zijn mannen. Ze waren al te ver gekomen om te falen, en de mannen die deze straten bewaakten waren ver van huis en gedemoraliseerd. Hun leiders waren ver weg, en ze waren slecht voorbereid. Tenslotte hadden ze het nooit hoeven opnemen tegen de ware krijgers van Escalon. De Pandesiaanse soldaten die overbleven keerden zich om en vluchtten. Ze gaven het op—en Duncan en zijn mannen joegen op hen en haalden hen neer met pijlen en speren, tot er niemand meer over was.

Nu de weg die de stad in liep was vrijgemaakt en de pijlen en speren nog steeds uit de lucht regenden en wederom één van zijn mannen velden, richtte Duncan zich weer op de borstweringen. Ze hadden de borstweringen nodig, niet alleen om de regen van pijlen te stoppen, maar ook om Kavos te helpen; Kavos was daar, aan de andere kant van de muren, nog altijd in de minderheid, en hij zou Duncans hulp nodig hebben met de katapulten als hij het wilde overleven.

“NAAR DE HOOGTES!” schreeuwde Duncan.

Duncans mannen juichten en volgden hem terwijl hij naar hen gebaarde. De helft volgde hem en de andere helft volgde Bramthos en Seavig naar de andere kant van het binnenplein, om via de andere kant omhoog te gaan. Duncan reed naar de stenen treden die langs de zijmuren liepen en naar de bovenste borstweringen leidden. Die werden bewaakt door een tiental soldaten, en ze keken met grote ogen naar de naderende aanval. Duncan stormde op hen af en hij en zijn mannen doodden hen met hun speren, voordat ze zelfs maar hun schilden konden optillen. Er was geen tijd meer te verspillen.

Ze bereikten de treden en Duncan steeg af en leidde zijn mannen naar boven. Hij keek verschrikt op toen hij Pandesiaanse soldaten naar beneden zag rennen om hem te begroeten, hun speren hoog geven, klaar om te werpen; hij wist dat ze, omdat ze naar beneden kwamen, in het voordeel waren, en hij dacht snel na. Hij wilde geen tijd verspillen aan man-tegen-man gevechten.

“PIJLEN!” beval Duncan naar de mannen achter hem.

Duncan dook naar de grond, en een seconde later voelde hij pijlen over zijn hoofd suizen. Duncan keek op en keek tevreden toe terwijl de soldaten die over de smalle stenen trap naar beneden renden struikelden en van de treden afvielen. Ze schreeuwden het uit terwijl ze door de lucht vielen en op het stenen binnenplein terecht kwamen.

Duncan rende verder naar boven, en er kwamen nog meer soldaten aan. Hij tackelde een soldaat en sloeg hem over de rand. Hij draaide om zijn as en beukte een ander met zijn schild, en kwam toen recht omhoog met zijn zwaard om een ander door zijn kin heen te steken.

Maar dit zorgde dat Duncan kwetsbaar was op de smalle trap, en hij werd van achteren besprongen door een Pandesiaan, die hem naar de rand sleurde. Duncan hield zich vast voor zijn leven, klauwend naar het steen, maar hij kon geen grip vinden en stond op het punt om over de rand te vallen—toen ineens de man boven op hem slap werd en over zijn schouder viel, dood. Duncan zag een zwaard uit zijn rug steken, en toen hij omkeek werd hij door Arthfael overeind gehesen.

Duncan rende door, dankbaar dat hij door zijn mannen gedekt werd, en hij klom steeds hoger. Hij ontweek speren en pijlen en blokkeerde er een aantal met zijn schild, tot hij eindelijk de borstweringen bereikte. Precies boven de poorten bevond zich een breed, stenen plateau van misschien tien meter breed. Het plateau stond vol Pandesiaanse soldaten, schouder aan schouder, allemaal bewapend met pijlen, speren en werpspiesen. Ze wierpen wapens naar Kavos’ mannen. Toen Duncan met zijn mannen arriveerde, stopten ze met het aanvallen van Kavos en keerden ze zich tegen hem. Tegelijkertijd bereikten Seavig en het andere contingent de borstweringen aan de andere kant, en vielen ze de soldaten vanaf daar aan. Ze dreven ze in een hoek, en de soldaten konden geen kant meer op.

Het gevecht was hevig, en de mannen vochten voor elke kostbare centimeter. Duncan hief zijn schild en zijn zwaard, en terwijl het gekletter van wapens de lucht vulde en het bloed alle kanten op spoot, hakte hij op de ene na de andere soldaat in. Duncan ontweek aanvallen, en wist meerdere mannen over de rand te schuiven, die vervolgens schreeuwend te pletter vielen. Soms, wist hij, waren je blote handen je beste wapens.

Hij schreeuwde het uit van de pijn toen hij in zijn buik werd geraakt, maar gelukkig wist hij zijn lichaam te draaien, en het zwaard schampte hem slechts. Terwijl de soldaat op hem af kwam voor een doodsslag, gaf Duncan, die geen ruimte had om te manoeuvreren, hem een kopstoot, waardoor de soldaat zijn zwaard liet vallen. Toen gaf hij hem een knietje, greep hem vast, en gooide hem over de rand.

Duncan vocht en vocht terwijl de zon steeds hoger aan de hemel klom en het zweet in zijn ogen prikte. Zijn mannen kreunden en schreeuwden het uit van de pijn, en Duncans schouders werden moe van het doden.

Snakkend naar adem, doordrenkt in het bloed van zijn vijand, nam Duncan een laatste stap naar voren—en zag tot zijn verbazing Bramthos en Seavig en hun mannen zich naar hem omdraaien. Hij draaide zich om en bekeek de levenloze lichamen. En toen besefte hij, verbijsterd, dat het was gelukt—ze hadden de borstweringen ontruimd.

Er rees een schreeuw van overwinning op terwijl hun mannen elkaar in het midden ontmoetten.

Maar Duncan wist dat de situatie nog steeds urgent was.

“PIJLEN!” schreeuwde hij.

Hij keek onmiddellijk naar beneden, naar Kavos’ mannen, en zag dat er een hevige strijd gaande was op het binnenplein. Duizenden Pandesiaanse soldaten stormden de barakken uit om hen te ontmoeten.

Kavos werd langzaam omsingeld.

Duncans mannen pakten de bogen van de gevallenen en schoten op de Pandesianen. De Pandesianen hadden natuurlijk niet verwacht dat er vanuit de hoofdstad op hen gevuurd zou worden, en ze vielen bij bosjes terwijl Kavos’ mannen werden gespaard. Overal om Kavos heen gingen er Pandesianen tegen de grond, en er ontstond paniek toen ze zich realiseerden dan Duncan de borstweringen had bezet. In de val tussen Duncan en Kavos konden ze geen kant op.

Duncan zou hen geen tijd geven om te hergroeperen.

“SPEREN!” beval hij.

Duncan greep er zelf ook één en wierp hem naar beneden, en toen nog één, en nog één. Er lag een enorme voorraad wapens op de borstweringen, bedoeld om indringers uit Andros te weren.

Terwijl de Pandesianen aarzelen, wist Duncan dat hij iets definitiefs moest doen om hen af te maken.

“KATAPULTEN!” riep hij.

Zijn mannen stormden naar de katapulten die zich op de kantelen bevonden. Ze trokken aan grote trouwen en draaiden aan hendels om de katapulten in positie te brengen. Ze legden de rotsen klaar en wachtten op zijn bevel. Duncan liep langs de linie en deed wat aanpassingen, zodat de rotsen Kavos’ mannen zouden missen en het perfecte doelwit zouden kunnen.

“VUUR!” riep hij uit.

Tientallen rotsen vlogen door de lucht, en Duncan keek tevreden toe hoe ze naar beneden zeilden en in het kamp terecht kwamen. Tientallen Pandesianen, die als mieren naar buiten stroomden om tegen Kavos’ mannen te vechten, werden gedood. Het geluid echode over het binnenplein, waardoor de Pandesianen alleen maar meer in paniek raakten. Stofwolken resen op, en ze wisten niet meer welke kant ze op moesten.

Kavos, als de veteraan die hij was, maakte gebruik van hun aarzeling. Hij riep zijn mannen bij elkaar en viel met een nieuw momentum aan, en wist zich een weg door hun rangen heen te banen.

Het Pandesiaanse kamp was één grote chaos. Soldaten sneuvelden links en rechts, en de rest sloeg op de vlucht. Kavos joeg hen stuk voor stuk achterna. Het was een slachtpartij.

Tegen de tijd dat de zon helemaal op was, lagen alle Pandesianen levenloos op de grond.

Het werd stil. Duncan keek verbijsterd om zich heen, en begon langzaam te beseffen dat het was gelukt. Ze hadden de hoofdstad bezet.

Zijn mannen barstten in juichen uit, sloegen elkaar op de schouders en omhelsden elkaar. Duncan veegde het zweet uit zijn ogen, nog steeds buiten adem. Het begon tot hem door te dringen: Andros was vrij.

De hoofdstad was van hen.

De Zwaarte van Eer

Подняться наверх