Читать книгу De Zwaarte van Eer - Морган Райс, Morgan Rice - Страница 20

HOOFDSTUK ACHT

Оглавление

Aidan liep over de eenzame bosweg, verder verwijderd van alles dan ooit, en hij voelde zich moederziel alleen in de wereld. Als deze Boshond er niet was geweest, dan was hij troosteloos en hopeloos geweest; maar terwijl Aidan zijn hand over zijn korte, witte vacht liet glijden, gaf White hem, ondanks zijn verwondingen, kracht. Ze liepen beiden mank, gewond door hun confrontatie met die barbaarse man, en elke stap die ze namen deed pijn. De hemel werd langzaam donker. Aidan zwoer dat als hij die man ooit nog tegen zou komen, hij hem met zijn blote handen zou doden.

White jankte zachtjes naast hem, en Aidan strekte zijn hand uit en streelde zijn hoofd. De hond was bijna net zo groot als hij, meer een wild beest dan een hond. Aidan was hem dankbaar, niet alleen voor zijn gezelschap maar ook voor het feit dat hij zijn leven had gered. Hij had White gered omdat iets van binnen hem daartoe had aangezet—en in ruil daarvoor was zijn leven gered. Hij zou het allemaal weer doen, zelfs met de wetenschap dat hij hier achtergelaten zou worden, in de middle of nowhere, waar hij waarschijnlijk zou sterven van de honger. Het was het waard.

White jankte weer, en Aidan deelde zijn pijnlijke honger.

“Ik weet het, White,” zei Aidan. “Ik heb ook honger.”

Aidan keek naar White’s verwondingen. Hij bloedde nog steeds, en Aidan schudde zijn hoofd. Hij voelde zich afschuwelijk, hulpeloos.

“Ik zou alles doen om je te helpen,” zei Aidan. “Ik wou alleen dat ik wist hoe.”

Aidan leunde naar voren en kuste hem op zijn zachte kop, en White drukte zijn kop tegen Aidans hoofd aan. Het was de omhelzing van twee vrienden die samen de dood tegemoet liepen. Het geluid van wilde beesten rees als een symfonie op in het steeds donker wordende bos, en Aidan voelde zijn korte benen branden. Hij had het gevoel dat ze niet veel verder meer konden, dat ze hier zouden sterven. Ze waren nog altijd dagen van wat dan ook verwijderd, en nu de nacht viel, waren ze nog kwetsbaarder. Hoe sterk White ook was, hij zou in deze toestand niet in staat zijn om zich te verweren, en Aidan, gewond en wapenloos, was niet beter af. Er waren al uren geen wagens meer voorbij gekomen, en hij verwachtte ook niet dat dat nog zou gebeuren.

Aidan dacht aan zijn vader die daar ergens was, en had het gevoel dat hij hem had teleurgesteld. Aidan wilde aan zijn vaders zijde sterven, vechtend voor een goed doel, of thuis, in Volis. Niet hier, alleen in de middle of nowhere. Elke stap leek hem dichter naar zijn dood te brengen.

Aidan reflecteerde op zijn korte leven en dacht aan alle mensen die hij liefhad. Zijn vader en broers, en bovenal zijn zus, Kyra. Hij vroeg zich af waar ze nu was, of ze Escalon al door was, of ze de reis naar Ur had overleefd. Hij vroeg zich af of ze ooit aan hem dacht, of ze trots op hem was nu hij in haar voetsporen probeerde te treden, om op zijn eigen manier hun vader te helpen. Hij vroeg zich af of hij ooit een grote krijger zou zijn geworden, en hij voelde zich diep verdrietig bij de gedachte dat hij haar nooit meer zou zien.

Aidan voelde zichzelf steeds dieper wegzakken. Er was niets dat hij kon doen, behalve toegeven aan zijn verwondingen en zijn uitputting. Hij ging steeds langzamer lopen. Hij wierp een blik op White en zag dat ook hij met zijn poten sleepte. Spoedig zouden ze moeten gaan liggen om op deze weg te rusten. Het was een beangstigend vooruitzicht.

Aidan dacht dat hij iets hoorde. Het was vaag. Hij stopte en luisterde aandacht terwijl White ook stopte en vragend naar hem opkeek. Aidan hoopte en bad. Had hij echt iets gehoord?

Toen hoorde hij het weer. Deze keer wist hij het zeker. Het gekraak van wielen. Van hout. Van ijzer. Het was een wagen.

Aidan draaide zich met een ruk om en zijn hart maakte een sprongetje terwijl hij zijn ogen samenkneep in de schemering. Eerst zag hij niets. Maar toen, langzaam, zag hij iets in het zicht komen. Een wagen. Meerdere wagens.

Aidans hart bonsde in zijn keel. Hij was nauwelijks in staat zijn opwinding in bedwang te houden terwijl hij het gerommel voelde. Hij hoorde de paarden, en zag de stoet zijn kant op komen. Maar toen begon hij zich af te vragen of ze misschien vijandig waren, en zijn opwinding bedaarde. Wie zou zich nu op deze weg begeven, zo ver weg van alles? Hij kon niet vechten, en White, die halfslachtig begon te grommen, zou ook weinig kunnen beginnen. Ze waren overgeleverd aan de genade van degene die hen naderde. Het was een beangstigende gedachte.

Terwijl de wagens dichterbij kwamen werd het geluid oorverdovend. Aidan bleef dapper op het midden van de weg staan. Hij kon zich niet verbergen. Hij moest het erop wagen. Aidan dacht dat hij muziek hoorde, en hij werd nieuwsgierig. Ze vertraagden niet, en eventjes dacht hij dat ze over hem heen zouden rijden.

Toen, ineens, vertraagde de karavaan, en ze stopten voor hem. Ze staarden naar hem, omgeven door een grote stofwolk. Het was een grote groep, een man of vijftig misschien, en Aidan was verrast om te zien dat het geen soldaten waren. Ze leken ook niet vijandig, zag hij tot zijn opluchting. Hij zag dat de wagens gevuld waren met allerlei soorten mensen, mannen en vrouwen van alle leeftijden. Eén van de wagens leek gevuld met muzikanten; een ander was gevuld met mannen die jongleurs of komedianten leken te zijn, hun gezichten beschilderd in felle kleuren, gekleed in fel gekleurde maillots en tunieken; een andere wagen leek gevuld te zijn met acteurs, mannen die rollen perkament vasthielden en hun scripts doorlazen, gekleed in dramatische kostuums; en een andere wagen was gevuld met vrouwen—schaars gekleed, met te veel make-up op hun gezichten.

Aidan bloosde en keek weg, wetend dat hij te jong was om naar dergelijke zaken te staren.

“Jij, jongen!” riep een stem uit. Het was een man met een hele lange rode baard die tot aan zijn middel liep, een merkwaardig uitziende man, met een vriendelijke glimlach.

“Is dit jouw weg?” grapte hij.

Er rees gelach op uit de wagens, en Aidan bloosde.

“Wie zijn jullie?” vroeg Aidan verbijsterd.

“Ik denk dat de vraag is,” riep hij terug, “wie ben jij?” Ze keken angstig naar White, die naar hen gromde. “En wat doe je in vredesnaam met een Boshond? Weet je dan niet dat ze levensgevaarlijk zijn?” vroegen ze met angstige stemmen.

“Deze niet,” antwoordde Aidan. “Zijn jullie allemaal… entertainers?” vroeg hij, nog steeds nieuwsgierig. Hij vroeg zich af wat ze hier allemaal deden.

“Zo zou je het kunnen noemen!” riep iemand van een wagen, gevolgd door het schaterende gelach van de anderen.

“Wij zijn acteurs en jongleurs en gokkers en muzikanten en clowns!” riep een andere man.

“En leugenaars en schurken en hoeren!” riep een vrouw uit, en ze lachten weer.

Iemand sloeg een harp aan, en ze moesten nog harder lachen. Aidan herinnerde zich dat hij eerder dergelijke mensen had ontmoet, toen hij jonger was en nog in Andros woonde. Hij herinnerde zich hoe hij de entertainers de hoofdstad in had zien stromen om de Koning te vermaken; hij herinnerde zich hun fel gekleurde gezichten; hun jongleurs messen; een man die vachten at; een vrouw die liederen zong; en een verteller die gedichten uit zijn hoofd wist die wel uren leken te duren. Hij herinnerde zich dat hij zich had afgevraagd waarom iemand een dergelijk leven zou kiezen, in plaats van het leven van een krijger.

“Andros!” riep Aidan uit. “Jullie gaan naar Andros!”

Eén van de mannen sprong van zijn wagen af en liep naar hem toe. Het was een grote man, een jaar of veertig misschien, met een dikke buik, een warrige bruine baard, even warrig haar, en een warme, vriendelijke glimlach. Hij liep naar Aidan toe en legde een geruststellende arm om zijn schouder.

“Je bent te jong om hier rond te lopen,” zei de man. “Ik zou zeggen dat je verdwaald bent—maar afgaande op je verwondingen en die van die hond van je, denk ik dat er meer aan de hand is. Het ziet er naar uit dat je in de problemen bent geraakt, en ik denk,” concludeerde hij terwijl hij White wantrouwig bekeek, “dat het iets te maken had met dat jij dit beest hebt geholpen.”

Aidan zweeg, niet wetend hoe veel hij kon zeggen, terwijl White naar de man toe liep en tot Aidans verrassing aan zijn hand begon te likken.

“Ik heet Motley,” voegde de man toe, die een hand uitstrekte.

Aidan keek hem twijfelend aan. Hij schudde niet zijn hand, maar knikte terug.

“Ik heet Aidan,” antwoordde hij.

“Jullie twee kunnen hier blijven en sterven van de honger,” vervolgde Motley, “maar dat is niet echt een leuke manier om te sterven. Ik zou persoonlijk eerst een goede maaltijd willen hebben, en dan op een andere manier sterven.”

De groep barstte in lachen uit, en Motley hield nog steeds zijn hand uitgestrekt terwijl hij Aidan vriendelijk en meelevend aankeek.

“Ik ga er vanuit dat jullie twee, gewond als jullie zijn, wel wat hulp kunnen gebruiken,” voegde hij toe.

Aidan stond daar, trots. Hij wilde geen zwakte laten zien, zoals zijn vader hem had geleerd.

“Het gaat prima,” zei Aidan.

De groep lachte weer.

“Natuurlijk,” antwoordde hij.

Aidan keek argwanend naar de uitgestrekte hand van de man.

“Ik ga naar Andros,” zei Aidan.

Motley glimlachte.

“Wij ook,” antwoordde hij. “En gelukkig is de stad groot genoeg voor ons allemaal.”

Aidan aarzelde.

“Je zou ons een plezier doen,” voegde Motley toe. “We kunnen wel wat extra gewicht gebruiken.”

“En een extra mond om te voeden!” riep een idioot van één van de wagens.

Aidan keek argwanend naar hen, eigenlijk te trots om hun aanbod te accepteren.

“Nou…” zei Aidan. “Als ik jullie er een plezier mee doe…”

Aidan pakte Motleys hand vast en voelde hoe hij de wagen op werd getrokken. Motley was sterker dan Aidan had gedacht. Vanwege de manier waarop hij gekleed was, leek hij een hofnar te zijn; zijn hand, vlezig en warm, was twee keer zo groot als die van Aidan.

Motley bukte en tilde White op, waarna hij hem voorzichtig in de wagen naast Aidan zette. White krulde zich naast Aidan op in het hooi, en legde zijn kop in zijn schoot, zijn ogen half gesloten van de uitputting en de pijn. Aidan begreep maar al te goed hoe hij zich voelde.

Motley sprong in de wagen en de bestuurder liet de zweep klappen, waarna de karavaan weer in beweging kwam. De muziek begon weer te spelen. Het was een vrolijk lied. Mannen en vrouwen bespeelden harpen en fluiten en cymbalen, en een aantal mensen begonnen, tot Aidans verbazing, te dansen in de wagens.

Aidan had nog nooit in zijn leven zo’n blije groep mensen gezien. Hij had zijn hele leven doorgebracht in de soberheid en de stilte van een fort dat gevuld was met krijgers, en hij wist niet zo goed wat hij hiervan moest denken. Hoe konden ze zo blij zijn? Zijn vader had hem altijd geleerd dat het leven iets heel serieus was. Was dit niet triviaal?

Terwijl ze verder reden over de hobbelige weg, jankte White van de pijn. Aidan streelde zijn kop. Motley kwam naar hen toe. Tot Aidans verrassing knielde hij bij de hond en bedekte zijn wonden met kompressen, bedekt met een groene zalf. Langzaam werd White stil en Aidan was dankbaar voor zijn hulp.

“Wie bent u?” vroeg Aidan.

“Wel, ik heb vele namen gehad,” antwoordde Motley. “De beste was ‘acteur.’ Toen was er ‘schurk’, ‘nar,’ ‘clown’… de lijst is lang. Noem me wat je wil.”

“Dus u bent geen krijger,” besefte Aidan teleurgesteld.

Motley gooide zijn hoofd achterover en brulde van het lachen. De tranen stroomden over zijn wangen; Aidan begreep niet wat er zo grappig was.

“Krijger,” herhaalde Motley hoofdschuddend. “Zo ben ik nog nooit genoemd. Maar dat zou ik ook niet willen.”

Aidan fronste zijn wenkbrauwen.

“Ik kom uit een familie van krijgers,” zei Aidan trots. Hij stak zijn borst vooruit, ondanks de pijn. “Mijn vader is een grote krijger.”

“Dat vind ik erg spijtig voor je,” zei Motley, die nog steeds lachte.

Aidan begreep het niet.

“Spijtig? Waarom?”

“Omdat het een straf is,” antwoordde Motley.

“Een straf?” herhaalde Aidan. “Er is niets mooiers in het leven dan een krijger zijn. Het is alles waar ik ooit van heb gedroomd.”

“Is dat zo?” vroeg Motley op geamuseerde toon. “Dan heb ik medelijden met je. Ik denk dat feesten en lachen en naar bed gaan met mooie vrouwen het mooiste is dat er is—veel beter dan over het platteland paraderen en hopen dat je je zwaard in iemands buik kan steken.”

Aidan liep rood aan. Hij was gefrustreerd; hij had nog nooit iemand op een dergelijke manier over strijd horen spreken, en hij voelde zich beledigd. Hij had nog nooit iemand zoals Motley ontmoet.

“Heeft u dan geen eer?” vroeg Aidan verward.

“Eer?” vroeg Motley. Hij leek oprecht verrast. “Dat woord heb ik al in geen jaren gehoord—en het is een groot woord voor zo’n jonge jongen.” Motley zuchtte. “Ik denk niet dat eer bestaat—tenminste, ik heb het nog nooit gezien. Ik wilde ooit eervol zijn—maar ik heb er niets aan gehad. Trouwens, ik heb teveel eervolle mannen gezien die ten prooi vielen aan verraderlijke vrouwen,” concludeerde hij, en de anderen in hun wagen lachten.

Aidan keek om zich heen. Hij zag alle mensen dansen en zingen en drinken, en hij had gemengde gevoelens over het meerijden met hen. Het waren aardige mensen, maar ze streefden niet naar het leiden van het leven van een krijger, en ze waren niet toegewijd aan eer. Hij wist dat hij dankbaar moest zijn voor de lift, en dat was hij ook, maar hij wist niet wat hij met hen aan moest. Ze waren zeker niet het soort mensen waar zijn vader mee geassocieerd zou willen worden.

“Ik zal met jullie meerijden,” concludeerde Aidan. “We zullen reisgenoten zijn. Maar ik kan mezelf niet beschouwen als jullie strijdbroeder.”

De Zwaarte van Eer

Подняться наверх