Читать книгу Bloemlezing uit Guido Gezelle's Gedichten - Gezelle Guido - Страница 17

DE BOOMEN ZIEN ZWART

Оглавление

De boomen zien zwart, van de zwellende botten;

o zonne, wanneer zal uw’ macht, onbevaên25,

weêr ’t springende blad, en de banden ontknotten,

waarin ’t twee drie maanden heeft houtvast gestaan?


Staat achter, o nijdig geweld van den winter;

houdt af uwen vuist, in de botten begint er

weer vreugdiger pulsslag en leven te slaan.


De boomen ontwekken, zij zidderen, zij beven;

zij striemen, dóór ’t blauwe geluchte, onbekleed;

doch staan ze al bewust schier en blij dat zij leven,

lijk machtige reuzen, ten strijde bereed.


Staat achter, o nijdig geweld van den winter;

uw rijk heeft een einde, in de boomen begint er

weêr hope te rijzen, weêr hulpe aan ons leed.


De boomen zien zwart, en hun’ dreigende schachten

staan veerdig en vrij, als de spere in de vuist

eens ridders, het teeken ten storme te wachten:

het klinke, en daar loopen zij henengedruischt!


Staat achter, o nijdig geweld van den winter;

de boomen slaan uit, en zoo zaan26 herbegint er

weêr blijdag gevierd te zijn. Wreede, verhuist!


25

Onbevangen, ongehinderd, vrij.

26

Weldra, spoedig.

Bloemlezing uit Guido Gezelle's Gedichten

Подняться наверх